Hoofdstuk 1 Algemeen

Artikel 1

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder (Zie T1):

  1. aan assurance verwante opdracht: aan assurance verwante opdracht als bedoeld in artikel 1 van de Verordening op de ledengroepen;

  2. aanwijzing: bindende instructie ten aanzien van het herstel van een geconstateerde tekortkoming;

  3. accountant: accountant als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het accountantsberoep;

  4. accountantsafdeling: accountantsafdeling als bedoeld in artikel 1 van de Verordening op de ledengroepen;

  5. accountantseenheid: accountantsafdeling of accountantspraktijk;

  6. accountantsorganisatie: accountantsorganisatie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a van de Wet toezicht accountantsorganisaties;

  7. accountantspraktijk: accountantspraktijk als bedoeld in artikel 1 van de Verordening op de ledengroepen;

  8. AFM: Stichting Autoriteit Financiële Markten;

  9. assurance-opdracht: assurance-opdracht als bedoeld in artikel 1 van de Verordening inzake de onafhankelijkheid van accountants bij assurance-opdrachten;

  10. beroepsorganisatie: Nederlandse beroepsorganisatie van accountants als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet op het accountantsberoep;

  11. bestuur: bestuur van de beroepsorganisatie;

  12. hertoetsing: toetsing waarbij mede wordt beoordeeld of de accountantseenheid in voldoende mate opvolging heeft gegeven aan het verbeterplan;

  13. incidentenonderzoek: onderzoek naar vermeende tekortkomingen in de beroepsuitoefening, met uitzondering van de uitvoering van een wettelijke controle;

  14. intern accountant: intern accountant als bedoeld in artikel 1 van de Verordening op de ledengroepen;

  15. koepelorganisatie: organisatie die bevoegd is bindende regels voor kwaliteitsbeheersing op te leggen, te toetsen en de naleving daarvan af te dwingen, aan accountantseenheden die lid of aangesloten zijn;

  16. kwaliteitsbeleid: beleid waarin de kwaliteit die de accountantseenheid nastreeft, wordt vertaald in meetbare doestellingen;

  17. kwaliteitssysteem: kwaliteitsbeleid en stelsel van kwaliteitsbeheersing;

  18. openbaar accountant: openbaar accountant als bedoeld in artikel 1 van de Verordening op de ledengroepen;

  19. overheidsaccountant: overheidsaccountant als bedoeld in artikel 1 van de Verordening op de ledengroepen, met uitzondering van de overheidsaccountant die werkzaam is bij de belastingdienst en belast is met de controle van door belastingplichtigen ingeleverde aangiften en de overheidsaccountant die aan deze controle direct leiding geeft;

  20. stelsel van kwaliteitsbeheersing: geheel van maatregelen en procedures gericht op het realiseren van de doelstellingen uit het kwaliteitsbeleid in de werkomgeving van de accountantseenheid;

  21. systeem van kwaliteitsborging: door een koepelorganisatie getroffen maatregelen en ingestelde procedures ten aanzien de toetsing van de opzet en de werking van het kwaliteitssysteem van de leden of de bij de organisatie aangesloten accountantseenheden;

  22. thematisch onderzoek: onderzoek naar een bepaald aspect van de uitvoering van assurance- of aan assurance verwante opdrachten;

  23. toetsing: beoordeling van de opzet en werking van het kwaliteitssysteem van een accountantseenheid;

  24. wettelijke controle: wettelijke controle als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel p, van de Wet toezicht accountantsorganisaties.

Artikel 2
  1. Het bestuur verleent de Raad voor Toezicht, ingesteld bij de Verordening op de Raad voor Toezicht, mandaat, volmacht en machtiging voor de uitoefening van de bevoegdheden genoemd in deze verordening.

  2. Het bestuur bepaalt dat de Raad voor Toezicht ondermandaat van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, kan verlenen. (Zie T2)

Artikel 3
  1. Het bestuur beoordeelt de kwaliteit van de beroepsuitoefening van een accountant.

  2. Voor een beoordeling van de beroepsuitoefening als bedoeld in het eerste lid, door een openbaar, intern of overheidsaccountant toetst het bestuur ten minste eenmaal in de zes jaar of het kwaliteitssysteem van een accountantseenheid in opzet en werking voldoet aan de verordeningen en nadere voorschriften die krachtens artikel 19 van de Wet op het accountantsberoep zijn vastgesteld.

  3. Wettelijke controles door accountantsorganisaties die beschikken over een vergunning als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Wet toezicht accountantsorganisaties zijn uitgezonderd van de toetsing bedoeld in het tweede lid.

  4. Onverminderd het tweede lid kan het bestuur een nader onderzoek of thematisch onderzoek verrichten bij een accountantseenheid.

  5. Onverminderd het tweede lid kan het bestuur voor een beoordeling van de beroepsuitoefening als bedoeld in het eerste lid, door een openbaar, intern of overheidsaccountant of een accountant in business,

    1. een incidentenonderzoek; of

    2. een onderzoek naar niet-naleving van beroepsnormen die voor accountants gelden verrichten. (Zie T3)

Artikel 4
  1. Het bestuur vraagt jaarlijks aan de accountantseenheid door middel van een monitoringvragenlijst informatie om inzicht te krijgen in de accountantseenheid.

  2. Voor verkrijging van het inzicht als bedoeld in het vorige lid, kan het bestuur informatie opvragen over de periodieke evaluaties van het kwaliteitssysteem door de accountantseenheid zelf.

  3. Binnen zes weken na ontvangst van het verzoek verstrekt:

    1. degene die verantwoordelijk is voor het kwaliteitssysteem van de accountantseenheid; of

    2. de accountant die mede het dagelijks beleid binnen de accountantseenheid bepaalt deze informatie.

  4. Het bestuur kan een accountantsorganisatie die beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 6 van de Wet toezicht accountantsorganisaties periodiek bezoeken ter verkrijging van nadere inlichtingen. (Zie T4)

Artikel 5
  1. De accountant verleent medewerking aan een beoordeling van de kwaliteit van de beroepsuitoefening als bedoeld in artikel 3.

  2. De accountant verschaft de inlichtingen als bedoeld in artikel 4.

  3. Voor de beoordeling als bedoeld in het eerste lid:

    1. stelt de accountant alle gegevens ter beschikking die nodig zijn voor deze beoordeling; en

    2. verschaft de accountant alle inlichtingen die worden verlangd. (Zie T5)

Artikel 6
  1. Het bestuur wijst:

    1. toetsers aan voor het verrichten van de toetsing, bedoeld in artikel 3, tweede lid;

    2. personen aan die over de specifieke kwalificaties beschikken om een thematisch of incidentenonderzoek uit te voeren voor het verrichten van deze onderzoeken.

  2. Het bestuur is belast met de opleiding van de toetsers. (Zie T6)

Artikel 7
  1. Het bestuur kan de bevindingen naar aanleiding van een beoordeling als bedoeld in artikel 3, in de vorm van een klacht ter kennis van de accountantskamer brengen indien hem bij de uitoefening van het toezicht van feiten of omstandigheden blijkt die grond kunnen opleveren tot het opleggen van een tuchtrechtelijke maatregel, althans tot gegrondverklaring van de klacht.

  2. Indien meerdere accountants betrokken zijn bij de bedrijfsvoering en opdrachtuitvoering van de accountantseenheid, bepaalt het bestuur aan de hand van de toepasselijke wet- en regelgeving en feitelijke omstandigheden tegen welke accountant of accountants hij een klacht aanhangig maakt. (Zie T7)

Hoofdstuk 2 Toetsingen en hertoetsingen

Artikel 8

Het bestuur stelt vast welke accountantseenheden in een bepaald jaar in aanmerking komen voor een toetsing. (Zie T8)

Artikel 9
  1. De toetsing en hertoetsing worden uitgevoerd aan de hand van door het bestuur vastgestelde toetsingsprogramma's.

  2. Het bestuur maakt de toetsingsprogramma's bekend aan de leden van de beroepsorganisatie. (Zie T9)

Artikel 10
  1. Voor elke toetsing of hertoetsing selecteert het bestuur:

    1. een toetser; of

    2. een toetsingsteam van twee of meer toetsers.

  2. Bij het selecteren van de toetser of het toetsingsteam houdt het bestuur rekening met:

    1. de aard en de omvang van de te toetsen accountantseenheid; en

    2. feiten of omstandigheden die de objectiviteit van de toetsers kunnen aantasten. (Zie T10)

Artikel 11
  1. Het bestuur stelt de datum vast waarop de toetsing of hertoetsing plaatsvindt en maakt deze ten minste zes weken van tevoren bekend aan de te toetsen accountantseenheid.

  2. Het bestuur kan op verzoek van de accountantseenheid een andere datum vaststellen, indien de accountantseenheid aannemelijk maakt dat een toetsing of hertoetsing op de datum, bedoeld in het eerste lid, niet mogelijk is.

  3. Het bestuur kan in overleg met de accountantseenheid afwijken van de in het eerste lid genoemde termijn van bekendmaking indien op verzoek als bedoeld in het tweede lid, een andere datum voor de toetsing of hertoetsing wordt vastgesteld.

  4. De bekendmaking van de datum van toetsing of hertoetsing omvat tevens:

    1. de naam van de toetser of de samenstelling van het toetsingsteam; en

    2. de termijn waarbinnen een wrakingsverzoek kan worden ingediend.

  5. De accountantseenheid kan binnen de termijn, bedoeld in het vierde lid, onderdeel b, het bestuur schriftelijk verzoeken een bij de toetsing of hertoetsing betrokken toetser te wraken op grond van feiten of omstandigheden waardoor gerede twijfel is ontstaan met betrekking tot de objectiviteit van de toetser.

  6. Het bestuur selecteert een andere toetser indien hij naar aanleiding van het verzoek, bedoeld in het vijfde lid, dan wel uit eigen beweging van oordeel is dat er sprake is van:

    1. feiten of omstandigheden waardoor de objectiviteit van een bij de toetsing of hertoetsing betrokken toetser aangetast kan worden; of

    2. de schijn wordt gewekt dat de objectiviteit van een bij de toetsing of hertoetsing betrokken toetser aangetast kan worden. (Zie T11)

Artikel 12
  1. Een toetsing of hertoetsing wordt afgerond met een eindoordeel.

  2. Een eindoordeel na een toetsing luidt:

    1. het kwaliteitssysteem voldoet in opzet en werking aan het bepaalde bij of krachtens artikel 19 van de Wet op het accountantsberoep;

    2. het kwaliteitssysteem behoeft verbetering en voldoet in opzet of werking op belangrijke onderdelen niet aan het bepaalde bij of krachtens artikel 19 van de Wet op het accountantsberoep; of

    3. het kwaliteitssysteem voldoet in opzet en werking niet aan het bepaalde bij of krachtens artikel 19 van de Wet op het accountantsberoep.

  3. Een eindoordeel na een hertoetsing luidt:

    1. het kwaliteitssysteem voldoet in opzet en werking aan het bepaalde bij of krachtens artikel 19 van de Wet op het accountantsberoep; of

    2. het kwaliteitssysteem voldoet in opzet en werking niet aan het bepaalde bij of krachtens artikel 19 van de Wet op het accountantsberoep. (Zie T12)

Artikel 13
  1. Na afloop van de toetsing of hertoetsing bespreekt de toetser of het toetsingsteam op hoofdlijnen zijn bevindingen en zijn voorgenomen advies voor een eindoordeel met de accountantseenheid.

  2. Na de bespreking, bedoeld in het eerste lid, stelt de toetser of het toetsingsteam een concept-toetsingsverslag op waarin is opgenomen:

    1. een weergave van de bevindingen van de toetsing of hertoetsing;

    2. een gemotiveerd voorstel voor een eindoordeel, als bedoeld in artikel 12, tweede lid of derde lid.

  3. Bij een voorstel voor een eindoordeel als bedoeld in artikel 12, tweede lid, onderdeel a of artikel 12, derde lid, onderdeel a kan een toetser aanwijzingen geven.

  4. Bij een voorstel voor een eindoordeel als bedoeld in artikel 12, tweede lid, onderdeel b of c of artikel 12, derde lid, onderdeel b geeft een toetser aanwijzingen.

  5. Onverminderd het voorgaande lid motiveert de toetser de ernst van de tekortkomingen bij een voorstel voor een eindoordeel als bedoeld in artikel 12, tweede lid, onderdeel b of c of artikel 12, derde lid, onderdeel b.

  6. De toetser of toetsingsteam verzendt het concept-toetsingsverslag aan de accountantseenheid en stelt de accountantseenheid in de gelegenheid schriftelijk te reageren op het concept-toetsingsverslag.

  7. De toetser of het toetsingsteam:

    1. reageert op de schriftelijke reactie van de accountantseenheid; en

    2. verwerkt de reactie van de accountantseenheid in het definitieve toetsingsverslag indien deze daar naar het oordeel van de toetser of het toetsingsteam aanleiding toe geeft.

  8. De toetser of toetsingsteam verzendt het definitieve toetsingsverslag en de schriftelijke reactie van de accountantseenheid aan het bestuur en de accountantseenheid.

  9. Het bestuur bepaalt de termijn waarbinnen:

    1. de toetser of het toetsingsteam het concept-toetsingsverslag verzendt aan de accountantseenheid;

    2. de accountantseenheid schriftelijk mag reageren op de inhoud van het concept-toetsingsverslag;

    3. de toetser of het toetsingsteam het definitieve toetsingsverslag verzendt aan het bestuur en de accountantseenheid. (Zie T13)

Artikel 14

Indien zich over de wijze van uitvoering van de toetsing of hertoetsing een meningsverschil voordoet tussen de aan toetsing onderworpen accountantseenheid en de toetser of het toetsingsteam, doet het bestuur op verzoek van de accountantseenheid dan wel op verzoek van de toetser of het toetsingsteam, een bindende uitspraak. (Zie T14)

Artikel 15
  1. Het bestuur stelt het eindoordeel, zo nodig voorzien van aanwijzingen, vast op basis van:

    1. het definitieve toetsingsverslag;

    2. de schriftelijke reactie van de accountantseenheid, bedoeld in artikel 13, zesde lid; en

    3. de reactie van de toetser of het toetsingsteam, bedoeld in artikel 13, zevende lid, onderdeel a.

  2. Het bestuur toetst het definitieve toetsingsverslag marginaal en kan gemotiveerd afwijken van het voorgestelde eindoordeel in het definitieve toetsingsverslag.

  3. Het bestuur brengt het eindoordeel binnen zes weken na ontvangst van het definitieve toetsingsverslag en de schriftelijke reactie ter kennis van de accountantseenheid.

  4. Het bestuur kan de termijn, bedoeld in het voorgaande lid, verlengen en deelt dit mee aan de accountantseenheid. (Zie T15 en T16)

Artikel 16
  1. In geval een eindoordeel luidt als bedoeld in artikel 12, tweede lid, onderdeel b, is de accountantseenheid verplicht:

    1. een verbeterplan op te stellen en in te dienen binnen een door het bestuur te bepalen termijn; en

    2. het verbeterplan, bedoeld onder a, uit te voeren binnen een door het bestuur te bepalen termijn.

  2. Een verbeterplan geeft op planmatige en gestructureerde wijze aan:

    1. welke oorzaken ten grondslag hebben gelegen aan de geconstateerde tekortkomingen;

    2. op welke wijze de aanwijzingen uit het definitieve toetsingsverslag worden opgevolgd;

    3. welke maatregelen worden getroffen ter correctie van de geconstateerde tekortkomingen in de opzet en werking van het kwaliteitssysteem; en

    4. op welke wijze de uitvoering van de maatregelen bedoeld in het vorige onderdeel wordt geborgd.

  3. Het bestuur deelt bij het bekendmaken van het eindoordeel, bedoeld in artikel 15, derde lid de termijn mee voor:

    1. het indienen van het verbeterplan; en

    2. het uitvoeren van het verbeterplan.

  4. Het verbeterplan behoeft goedkeuring van het bestuur.

  5. Het bestuur kan volstaan met een gedeeltelijke goedkeuring van het verbeterplan waarbij het bestuur vermeldt op welke onderdelen het verbeterplan tekortschiet.

  6. Het beoordelen en verlenen van goedkeuring van het verbeterplan schort de uitvoeringstermijn, bedoeld in het eerste lid onderdeel b, niet op. (Zie T15 en T16)

Artikel 17
  1. Het bestuur verricht een hertoetsing na een eindoordeel als bedoeld in artikel 12, tweede lid, onderdeel b.

  2. De hertoetsing vindt plaats na afloop van de termijn waarbinnen het verbeterplan wordt uitgevoerd, bedoeld in artikel 16, derde lid, onderdeel b.

  3. Onverminderd artikel 3, tweede lid, toetst het bestuur bij een hertoetsing of de accountantseenheid in voldoende mate opvolging heeft gegeven aan het verbeterplan. (Zie T17)

Artikel 18

Artikel 16, derde lid onderdeel b en artikel 17 worden niet toegepast indien een eindoordeel dat het kwaliteitssysteem verbetering behoeft als bedoeld in artikel 12, tweede lid, onderdeel b,

  1. uitsluitend is gebaseerd op het oordeel over de uitvoering van assurance-opdrachten door de accountantseenheid; en

  2. de accountantseenheid schriftelijk verklaart geen assurance-opdrachten meer uit te voeren. (Zie T18 en T19)

Hoofdstuk 3 Thematisch onderzoek, nader onderzoek, incidentenonderzoek en onderzoek naar niet-naleving beroepsnormen

Artikel 19
  1. Het bestuur bepaalt voorafgaand aan het verrichten van een thematisch onderzoek als bedoeld in artikel 3, vierde lid, in elk geval:

    1. het onderwerp van het onderzoek;

    2. de periode waarin het onderzoek wordt verricht;

    3. de wijze waarop en de vorm waarin het onderzoek wordt verricht;

    4. de personen die het onderzoek gaan verrichten;

    5. bij welke accountantseenheden het onderzoek wordt uitgevoerd.

  2. Het bestuur stelt een verslag vast naar aanleiding van het thematisch onderzoek.

  3. Het bestuur verstrekt het verslag, bedoeld in het eerste lid, aan de onderzochte accountantseenheden.

  4. Het bestuur kan een algemene mededeling doen waarin de uitkomsten van het thematisch onderzoek zijn opgenomen.

  5. In de mededeling worden uitsluitend geanonimiseerde gegevens opgenomen. (Zie T19)

Artikel 20
  1. Het bestuur bepaalt op basis van risico-indicatoren welke accountantseenheden aan een nader onderzoek als bedoeld in artikel 3, vierde lid, worden onderworpen.

  2. Het bestuur bepaalt de wijze en vorm waarin het nader onderzoek plaatsvindt. (Zie T20)

Artikel 21
  1. Het bestuur verricht een incidentenonderzoek als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, onderdeel a, naar aanleiding van een redelijk vermoeden van een incident.

  2. Het bestuur bepaalt de wijze waarop en de vorm waarin het incidentenonderzoek plaatsvindt. (Zie T21)

Artikel 22
  1. Het bestuur verricht een onderzoek naar het niet-naleven van de beroepsnormen als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, onderdeel b, naar aanleiding van een redelijk vermoeden van het niet-naleven van de beroepsnormen die voor accountantseenheden gelden, door of bij een accountantseenheid.

  2. Het bestuur bepaalt de wijze waarop en de vorm waarin het onderzoek plaatsvindt. (Zie T22)

Hoofdstuk 4 Informatie-uitwisseling

Artikel 23

Indien een accountantspraktijk beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 6 van de Wet toezicht accountantsorganisaties:

  1. meldt het bestuur het eindoordeel, bedoeld in artikel 12, over die accountantspraktijk bij de AFM;

  2. draagt het bestuur het toetsingsdossier over aan de AFM indien het bestuur over die accountantspraktijk een eindoordeel vaststelt als bedoeld in artikel 12, tweede lid, onderdeel c, respectievelijk artikel 12, derde lid, onderdeel b. (Zie T23)

Artikel 24
  1. Indien uit een thematisch onderzoek informatie blijkt die duidt op een ernstige overtreding van de bij of krachtens de Wet toezicht accountantsorganisaties gestelde voorschriften, door een accountantsorganisatie dan wel door een beleidsbepaler, medebeleidsbepaler of een externe accountant, bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van de Wet toezicht accountantsorganisaties, van een accountantsorganisatie, verstrekt het bestuur deze informatie aan de AFM.

  2. Indien uit een incidentenonderzoek informatie blijkt die duidt op een ernstige overtreding van de bij of krachtens de Wet toezicht accountantsorganisaties gestelde voorschriften, door een accountantsorganisatie dan wel door een beleidsbepaler, medebeleidsbepaler of een externe accountant, bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van de Wet toezicht accountantsorganisaties van een accountantsorganisatie, verstrekt het bestuur deze informatie aan de AFM. (Zie T24)

Hoofdstuk 5 Vrijstellingen en accreditatie

Artikel 25
  1. Het bestuur kan op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van de accountantseenheid besluiten vrijstelling te verlenen van:

    1. een toetsing of hertoetsing; of

    2. een thematisch onderzoek.

  2. Het bestuur kan op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van de accountantseenheid eenmalig besluiten tot verlenging van de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid onder a. (Zie T25)

Artikel 26
  1. Een verzoek tot vrijstelling of een verzoek tot verlenging van de vrijstelling wordt eerst in behandeling genomen nadat het hiervoor vastgestelde tarief door de desbetreffende accountantseenheid is voldaan.

  2. Een vrijstelling van een toetsing of een hertoetsing kan worden verleend in het geval:

    1. het aantal door de accountantseenheid afgeronde assurance-opdrachten of aan assurance verwante opdrachten als gevolg van de opbouwfase waarin de accountantseenheid zich bevindt, zodanig beperkt is dat een toetsing een onvoldoende representatief beeld oplevert van de werking van het kwaliteitssysteem van de accountantseenheid;

    2. tijdelijk niet kan worden voldaan aan de verplichtingen in verordeningen en nadere voorschriften die krachtens artikel 19 van de Wet op het accountantsberoep zijn vastgesteld, ter zake van het inrichten van een kwaliteitssysteem, doordat:

      • de accountantseenheid binnen afzienbare termijn ophoudt te bestaan;

      • de accountantseenheid als partij minder dan een jaar geleden betrokken is geweest, dan wel betrokken is bij een fusie met of een overname van of door een accountantseenheid van vergelijkbare omvang; of

      • de samenwerking tussen een aanzienlijk deel van de bij een accountantseenheid werkzame accountants of de aan een accountantseenheid verbonden accountants minder dan een jaar geleden is verbroken.

  3. Een vrijstelling van een toetsing of een hertoetsing of een verlenging daarvan wordt slechts verleend voor de duur van maximaal één kalenderjaar.

  4. Het bestuur neemt een beslissing binnen acht weken na in behandeling nemen van het verzoek tot vrijstelling of het verzoek tot verlenging van de vrijstelling.

  5. Het bestuur kan de in het vierde lid genoemde termijn verlengen met maximaal zes weken. (Zie T26)

Artikel 27
  1. Een koepelorganisatie kan het bestuur schriftelijk verzoeken haar systeem van kwaliteitsborging te accrediteren.

  2. Ten behoeve van deze accreditatie toetst het bestuur de opzet en werking van het systeem van kwaliteitsborging van de desbetreffende koepelorganisatie.

  3. De accreditatie wordt verleend voor de duur van drie jaar.

  4. Het bestuur besluit binnen zestien weken na ontvangst van het verzoek als bedoeld in het eerste lid.

  5. Het bestuur kan de accreditatie tussentijds beëindigen indien:

    1. de koepelorganisatie niet langer voldoet aan de eisen die bij of krachtens deze verordening zijn gesteld;

    2. de koepelorganisatie op een zodanig negatieve wijze in de publiciteit komt dat voortzetting van de accreditatie in redelijkheid niet langer van de beroepsorganisatie kan worden verlangd; of

    3. de koepelorganisatie fuseert met een organisatie waaraan niet een accreditatie is verleend.

  6. Een verleende accreditatie wordt van rechtswege met een jaar verlengd in het geval:

    1. de koepelorganisatie een verzoek doet tot accreditatie en het bestuur dit verzoek heeft afgewezen; en

    2. aan de koepelorganisatie voorafgaand aan het verzoek bedoeld in het vorige onderdeel eerder voor twee of meer aansluitende termijnen van drie jaar een accreditatie is verleend.

  7. Aan de accreditatie kan het bestuur voorschriften verbinden ten aanzien van:

    1. de te verstrekken informatie met betrekking tot de beschrijving van het systeem van kwaliteitsborging;

    2. de te verstrekken informatie met betrekking tot de door de koepelorganisatie bij toetsingen gehanteerde vragenlijsten en programma’s;

    3. door de koepelorganisatie op te volgen aanwijzingen met betrekking tot het systeem van kwaliteitsborging; en

    4. door de koepelorganisatie te stellen eisen aan de ingeschakelde toetsers.

  8. De koepelorganisatie verstrekt aan het bestuur de namen van de accountantseenheden die lid of aangesloten zijn waarbij bij een toetsing door de koepelorganisatie is geconstateerd dat het kwaliteitssysteem in opzet of werking niet of op belangrijke onderdelen niet voldoet aan het bepaalde bij of krachtens de Wet op het accountantsberoep.

  9. De koepelorganisatie verstrekt aan het bestuur de toetsingsdossiers van de accountantseenheden die lid of aangesloten zijn waarbij bij een toetsing of een hertoetsing door de koepelorganisatie is geconstateerd dat het kwaliteitssysteem in opzet of werking niet voldoet aan het bepaalde bij of krachtens de Wet op het accountantsberoep.

  10. De koepelorganisatie doet jaarlijks voor 1 april schriftelijk verslag aan het bestuur over de uitkomsten van de toetsingen en hertoetsingen in het daaraan voorafgaande kalenderjaar en verstrekt de namen van de in dat kalenderjaar getoetste accountantspraktijken of accountantsafdelingen.

  11. De koepelorganisatie doet onverwijld mededeling aan het bestuur van wijzigingen in het geaccrediteerde systeem van kwaliteitsborging.

  12. Het bestuur bericht de koepelorganisatie welke gevolgen de wijzigingen hebben voor de accreditatie. (Zie T27)

Artikel 27a
  1. Indien de koepelorganisatie bij de beoordeling van een aanvraag van een accountantsorganisatie voor het lidmaatschap van of de aansluiting bij de geaccrediteerde koepelorganisatie constateert dat zich een situatie als bedoeld in artikel 29, zesde lid voor kan doen, dan treedt zij onverwijld in overleg met het bestuur.

  2. In het overleg als bedoeld in het vorige lid, stellen de koepelorganisatie en het bestuur vast welke van hen de meest gerede partij is om bij de accountantsorganisatie onverwijld een toetsing uit te voeren. (zie T27a)

Artikel 28
  1. Het bestuur brengt de kosten van de behandeling van een verzoek tot accreditatie, waaronder mede wordt begrepen de toetsing van de opzet en werking van het systeem van kwaliteitsborging, in rekening bij de koepelorganisatie die om accreditatie verzoekt.

  2. De kosten van de behandeling van een verzoek tot accreditatie als bedoeld in het vorige lid, zijn bepaald in de Verordening op de kosten kwaliteitsbeoordelingen. (Zie T28)

Artikel 29
  1. Accountantseenheden die lid zijn van of aangesloten zijn bij een koepelorganisatie waaraan een accreditatie is verleend, zijn voor de duur van deze accreditatie vrijgesteld van toetsing door het bestuur.

  2. Onverminderd het eerste lid kan het bestuur ten behoeve van de toets als bedoeld in artikel 27, tweede lid bij een accountantseenheid die lid is van of aangesloten is bij een koepelorganisatie waaraan een accreditatie is verleend, een beoordeling uitvoeren van de door de koepelorganisatie uitgevoerde toetsing of hertoetsing.

  3. Het bestuur kan de toepassing van het eerste lid buiten toepassing laten indien:

    1. de koepelorganisatie waarvan de accountantseenheid lid is of waarbij de accountantseenheid is aangesloten, bij een toetsing van de accountantseenheid heeft geconstateerd dat het kwaliteitssysteem in opzet of werking niet voldoet aan het bepaalde bij of krachtens artikel 19 van de Wet op het accountantsberoep; of

    2. de koepelorganisatie waarvan de accountantseenheid lid is of waarbij de accountantseenheid is aangesloten, bij een hertoetsing van de accountantseenheid heeft geconstateerd dat het kwaliteitssysteem in opzet of werking niet voldoet aan het bepaalde bij of krachtens artikel 19 van de Wet op het accountantsberoep.

  4. Accountantseenheden die lid zijn van of aangesloten zijn bij een koepelorganisatie die een verzoek tot accreditatie als bedoeld in artikel 27, eerste lid, heeft ingediend, zijn gedurende de periode waarin het bestuur nog geen beslissing op het verzoek heeft genomen, vrijgesteld van toetsing door het bestuur.

  5. Accountantseenheden die een aanvraag hebben ingediend voor het lidmaatschap van of de aansluiting bij een geaccrediteerde koepelorganisatie zijn, gedurende de periode waarin de koepelorganisatie nog geen beslissing heeft genomen op het verzoek, vrijgesteld van toetsing door het bestuur.

  6. Het bestuur kan het vijfde lid buiten toepassing laten indien een accountantsorganisatie een aanvraag indient voor het lidmaatschap van of de aansluiting bij een geaccrediteerde koepelorganisatie en daardoor de termijn vanaf de laatste toetsing door het bestuur, vermeerderd met de periode die de koepelorganisatie naar verwachting nodig heeft om een beslissing te nemen op de aanvraag, de termijn als bedoeld in artikel 48a, eerste lid van de Wet toezicht accountantsorganisaties dreigt te overschrijden.

  7. Het vijfde lid is niet van toepassing in het geval de accountantseenheid een aanvraag heeft ingediend voor het lidmaatschap van of de aansluiting bij een geaccrediteerde koepelorganisatie nadat de accountantseenheid is aangewezen voor een toetsing op grond van artikel 11, eerste lid. (Zie T29)

Hoofdstuk 6 Overige bepalingen

Artikel 30

Van vertrouwelijke gegevens in het kader van de toetsing verkregen, kan geen verder of ander gebruik worden gemaakt dan krachtens deze verordening is bepaald, tenzij bij wet anders is bepaald. (Zie T30)

Artikel 31

In situaties die procedureel van aard zijn en waarin deze verordening niet voorziet, beslist het bestuur. (Zie T31)

Hoofdstuk 7 Slotbepalingen

Artikel 32

De Verordening op de kwaliteitsbeoordelingen (Staatscourant 2013, 23899) wordt ingetrokken. (Zie T32)

Artikel 33
  1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2018.

  2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening op de kwaliteitsbeoordelingen.

 

Regelgevingtechnische informatie

Betreft

Artikel

Besluit

Goedkeuring

Bekendmaking

Inwerkingtreding

Nieuwe regeling

19-5-2017

11 juli 2017 (2017-0000131958)

Stcrt 2017, 40917

1-1-2018

Wijziging regeling

27a en 29

17-12-2018

11 februari 2019 (2019-0000013869

Stcrt. 2019, 8836

21-2-2019