Nadere voorschriften permanente educatie 2019

Opschrift

Het bestuur van de Koninklijke Nederlandse beroepsorganisatie van accountants;

Overwegende dat voor het in stand houden van de professionele deskundigheid van de accountant kennis van en inzicht in de relevante vaktechnische, beroepsmatige en algemeen economische ontwikkelingen vereist is;

Overwegende dat permanente educatie de accountant in staat stelt in continuïteit deskundig op te treden in de omgeving waar hij beroepsmatig werkzaam is;

Gelet op artikel 24 van de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants;

Gehoord de leden;

Stelt de volgende nadere voorschriften vast:

Artikel 1

In deze nadere voorschriften wordt verstaan onder: (Zie T1)

accountant: accountant als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het accountantsberoep;

accountantskantoor: accountantskantoor als bedoeld in artikel 1 van de Verordening op de ledengroepen;

accountantsorganisatie: accountantsorganisatie als bedoeld in artikel 1, onderdeel a van de Wet toezicht accountantsorganisaties;

accountant in business: accountant in business als bedoeld in artikel 1 van de Verordening op de ledengroepen;

bestuur: bestuur van de Nederlandse beroepsorganisatie van accountants;

intern accountant: intern accountant als bedoeld in artikel 1 van de Verordening op de ledengroepen;

ledengroep: ledengroep als bedoeld in artikel 2 van de Verordening op de ledengroepen;

leerdoel(en): beschrijving van het beoogde leerresultaat;

leerresultaat: resultaat van het verrichten van PE-activiteiten op het terrein van vaktechnische kennis, vaardigheden en houding voor zover deze voor de beroepsuitoefening van de accountant van belang zijn;

overheidsaccountant: overheidsaccountant als bedoeld in artikel 1 van de Verordening op de ledengroepen;

PE: permanente educatie;

PE-activiteit: activiteit in het kader van permanente educatie;

PE-portfolio: formulier zoals vastgesteld door het bestuur.

Artikel 2

Deze nadere voorschriften zijn van toepassing op accountants met uitzondering van accountants die zijn ingedeeld in contributiegroep Z als bedoeld in artikel 2 van de Algemene contributieverordening. (Zie T2)

Artikel 2a

De verplichtingen van een accountant op grond van deze nadere voorschriften vangen aan op 1 januari van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar van inschrijving van de accountant. (Zie T2a)

Artikel 3
  1. De accountant legt per kalenderjaar in een PE-portfolio vast op welke wijze hij zijn vakbekwaamheid in het desbetreffende kalenderjaar bijhoudt.

  2. In het PE-portfolio legt de accountant in elk geval het volgende vast:

    1. voor 1 april van een kalenderjaar in een plan van aanpak:

      • zijn werkzaamheden;

      • de leerdoelen per werkzaamheid en de eventuele wijzigingen in de leerdoelen per werkzaamheid; en

      • de PE-activiteiten die de accountant in het kalenderjaar voornemens is te gaan verrichten.

    2. uiterlijk op 31 januari van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop het PE-portfolio betrekking heeft:

      • de wijze waarop de accountant uitvoering heeft gegeven aan de PE-activiteiten die hij voornemens was te verrichten; en

      • de behaalde leerresultaten.

  3. Bij de vastlegging van de behaalde leerresultaten als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, legt de accountant overwegingen vast ten aanzien van verkregen vaktechnische kennis, vaardigheid of houding, de concrete toepassing daarvan in de beroepsuitoefening van de accountant en een waardering van de toepasbaarheid van de verkregen vaktechnische kennis, vaardigheid of houding. (Zie T3)

Artikel 4
  1. De accountant bewaart het PE-portfolio en de bewijsstukken van de PE-activiteiten ten minste zes jaar.

  2. De accountant verstrekt desgevraagd aan het bestuur de gegevens en inlichtingen die van belang zijn voor de beoordeling, bedoeld in artikel 5, eerste lid.

  3. De accountant verklaart uiterlijk op 31 januari van een kalenderjaar of hij voldaan heeft aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 3, in het voorafgaande kalenderjaar. (Zie T4)

Artikel 5
  1. Het bestuur kan beoordelen of het PE-portfolio van een accountant:

    1. in voldoende mate bijdraagt of heeft bijgedragen aan de naleving van artikel 12 van de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants; en

    2. voldoet aan de eisen die bij en krachtens deze nadere voorschriften worden gesteld.

  2. De uitkomst van de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, kan als volgt luiden:

    1. het PE-portfolio voldoet; of

    2. het PE-portfolio is voor verbetering vatbaar.

  3. Het bestuur kan aan de accountant een instructie geven voor een aanpassing van het PE-portfolio of een instructie voor het opstellen van een volgend PE-portfolio in het geval het tot een beoordeling als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b komt.

  4. De accountant geeft invoering aan de instructie, bedoeld in het derde lid. (Zie T5)

Artikel 6
  1. Het bestuur kan voor een nader te bepalen groep accountants een kennisgebied of onderwerp vaststellen ten aanzien waarvan PE-activiteiten van nader te bepalen omvang worden verricht.

  2. Het bestuur kan voorwaarden stellen bij of voorschriften verbinden aan een vaststelling als bedoeld in het vorige lid. (Zie T6)

Artikel 7
  1. Het bestuur kan op aanvraag een organisatie accrediteren voor het geven van cursussen of trainingen over de kennisgebieden of de onderwerpen, bedoeld in artikel 6.

  2. Het bestuur verbindt voorwaarden aan een accreditering als bedoeld in het vorige lid, en maakt afspraken over de doorberekening van de kosten die zijn verbonden aan de beoordeling van de aanvraag. (Zie T7)

Artikel 8
  1. Het bestuur kan met betrekking tot het verrichten van PE-activiteiten vrijstelling verlenen van het bepaalde in artikel 3. Aan een vrijstelling kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.

  2. Het bestuur kan op verzoek, geheel of gedeeltelijk, ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 3 indien de accountant aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan. Aan de ontheffing kan het bestuur voorschriften verbinden.

  3. Een ontheffing kan worden ingetrokken als een accountant handelt of nalaat in strijd met de voorschriften die het bestuur heeft verbonden aan de aan hem verleende ontheffing. (Zie T8)

Artikel 9
  1. Op een accountant die op 1 januari 2019:

    1. werkzaam is bij of verbonden is aan een accountantsorganisatie die beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Wet toezicht accountantsorganisaties; of

    2. is ingedeeld in de ledengroep voor intern en overheidsaccountants, blijven de Nadere voorschriften permanente educatie zoals deze luidden voor de inwerkingtreding van deze nadere voorschriften, van toepassing tot 1 januari 2020.

  2. Op een accountant die op 1 januari 2019:

    1. werkzaam is bij of verbonden is aan een accountantsorganisatie die uitsluitend beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet toezicht accountantsorganisaties;

    2. werkzaam is bij of verbonden is aan een accountantskantoor; of

    3. is ingedeeld in de ledengroep voor accountants in business, blijven de Nadere voorschriften permanente educatie zoals deze luidden voor de inwerkingtreding van deze nadere voorschriften, van toepassing tot 1 januari 2021.

  3. Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op een accountant die op 1 januari 2019 werkzaam is bij of verbonden is aan:

    1. enige entiteit optredend onder de handelsnaam ‘Deloitte’, ‘EY’, ‘KPMG’ of ‘PwC’ of een samenstelling daarvan, welke entiteit niet beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Wet toezicht accountantsorganisaties; en

    2. de Belastingdienst.

  4. Voor de nadere uitwerking van het bepaalde in het derde lid treedt het bestuur in overleg met de organisaties, bedoeld in dat lid. (Zie T9)

Artikel 10
  1. Het bestuur kan uit eigen beweging dan wel op verzoek van een accountant een van artikel 9 afwijkend moment vaststellen waarop voor de accountant deze nadere voorschriften van toepassing zijn.

  2. Aan de toepassing van het eerste lid kan het bestuur voorwaarden verbinden. (Zie T10)

Artikel 11
  1. Een erkenning verleend op grond van artikel 9 van de Nadere voorschriften permanente educatie zoals deze luidden voor de inwerkingtreding van deze nadere voorschriften, blijft na de inwerkingtreding van deze nadere voorschriften van kracht, onder dezelfde voorschriften, beperkingen en voorwaarden waaronder de erkenning is verleend.

  2. Op PE-instellingen, bedoeld in artikel 1 van de Nadere voorschriften permanente educatie zoals deze luidden voor de inwerkingtreding van deze nadere voorschriften, blijven eerstbedoelde nadere voorschriften van toepassing tot 1 januari 2021. (Zie T11)

Artikel 12

De Nadere voorschriften permanente educatie (Staatscourant. 2014, 175) worden ingetrokken. (Zie T12)

Artikel 13
  1. Deze nadere voorschriften treden in werking met ingang van 1 januari 2019.

  2. Deze nadere voorschriften worden aangehaald als: Nadere voorschriften permanente educatie 2019. (Zie T13)

 

Betreft

Artikel

Besluit

Goedkeuring

Bekendmaking

Inwerkingtreding

Nieuwe regeling

nvt

6-11-2018

Strcrt 2018, 67721 4 december 2018

1-1-2019

Wijziging

2a

17-12-2018

Strcrt 2019, 21471

1-1-2019

Wijziging

1, 3

10-09-2019

Strcrt 2019, 51474

1-1-2020

Oude regeling: zie Nadere voorschriften permanente educatie 2018 (per 1-1-2014)