Inleiding

Toepassingsgebied van deze Standaard

1

Deze Standaard behandelt de verantwoordelijkheid van de accountant met betrekking tot schattingen, met inbegrip van schattingen van de reële waarde, alsmede van de toelichtingen daarop bij een controle van financiële overzichten. Meer bepaald gaat deze standaard nader in op de vraag hoe Standaard 315Standaard 315, Risico’s op een afwijking van materieel belang identificeren en inschatten door inzicht te verwerven in de entiteit en haar omgeving. en Standaard 330Standaard 330, Inspelen door de accountant op ingeschatte risico’s. alsmede andere relevante Standaarden moeten worden toegepast met betrekking tot schattingen. Deze standaard bevat tevens vereisten en leidraden voor afwijkingen van individuele schattingen alsmede indicaties van mogelijke tendentie door het management.

De aard van schattingen

2

Sommige elementen in de financiële overzichten kunnen niet precies worden gewaardeerd, maar kunnen slechts worden geschat. Voor de toepassing van deze Standaard worden dergelijke elementen in de financiële overzichten aangeduid als schattingen. De aard en betrouwbaarheid van voor het management beschikbare informatie ter ondersteuning bij het maken van schattingen lopen sterk uiteen, hetgeen daardoor van invloed is op de mate van schattingsonzekerheid die samenhangt met het maken van schattingen. De mate van schattingsonzekerheid beïnvloedt op haar beurt de risico’s op een afwijking van materieel belang bij schattingen, met inbegrip van hun vatbaarheid voor onopzettelijke of opzettelijke tendentie bij het management. (Zie Par. A1, A2, A3, A4, A5, A6, A7, A8, A9, A10 en A11)

3

De waarderingsdoelstelling van schattingen kan variëren afhankelijk van het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving en het financiële element waarover wordt gerapporteerd. De waarderingsdoelstelling voor sommige schattingen is het voorspellen van het resultaat van een of meer transacties, gebeurtenissen of omstandigheden die aanleiding geven tot de noodzaak om een schatting te maken. Voor andere schattingen, met inbegrip van veel schattingen van de reële waarde is de waarderingsdoelstelling verschillend en wordt deze uitgedrukt in termen van de waarde van een lopende transactie of een element in de financiële overzichten op basis van omstandigheden die gelden op de waarderingsdatum, zoals de geschatte marktprijs voor een bepaald type actief of verplichting. Het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving kan bijvoorbeeld waardering tegen reële waarde vereisen op basis van een veronderstelde hypothetische huidige transactie tussen goed ingelichte, tot de transactie bereid zijnde partijen (soms aangeduid als ‘marktpartijen’ of daarmee vergelijkbare termen) in een marktconforme transactie, eerder dan de afwikkeling van een transactie op een bepaalde datum in het verleden of in de toekomst.Het is mogelijk dat verschillende stelsels inzake financiële verslaggeving andere definities van reële waarde hanteren.

4

Een verschil tussen het schattingsresultaat en het bedrag dat oorspronkelijk in de financiële overzichten is opgenomen of toegelicht houdt niet noodzakelijkerwijs een afwijking in de financiële overzichten in. Dit is in het bijzonder het geval bij schattingen van de reële waarde waarbij ieder waargenomen resultaat steevast wordt beïnvloed door gebeurtenissen of omstandigheden na de datum waarop een schatting van de waarde is gemaakt ten behoeve van de financiële overzichten.

Ingangsdatum

5

Voor de ingangsdatum wordt verwezen naar de slotbepalingen.

Doelstelling

6

De doelstelling van de accountant is het verkrijgen van voldoende en geschikte controle-informatie over de vraag of:

  1. de in de financiële overzichten opgenomen dan wel toegelichte schattingen, met inbegrip van schattingen van de reële waarde, redelijk zijn; en

  2. de daarop betrekking hebbende toelichtingen in de financiële overzichten adequaat zijn, binnen de context van het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving.

Definities

7

Voor de toepassing van de Standaarden hebben de volgende termen de hierna weergegeven betekenis:

  1. schatting – Een benadering van een bedrag als het niet mogelijk is het bedrag nauwkeurig te bepalen. Deze term wordt gehanteerd voor een bedrag dat tegen reële waarde wordt gewaardeerd als er een schattingsonzekerheid is alsmede voor andere bedragen die een schatting vereisen. Waar het in deze Standaard enkel gaat over schattingen die betrekking hebben op waarderingen tegen reële waarde, wordt de term ’schattingen van de reële waarde’ gehanteerd;

  2. puntschatting van de accountant of schattingsinterval van de accountant – Het bedrag of het interval van bedragen voortkomend uit controle-informatie die wordt gebruikt bij het evalueren van de puntschatting die door het management is gemaakt;

  3. schattingsonzekerheid – De vatbaarheid van een schatting alsmede van de toelichtingen daarop voor een inherent gebrek aan nauwkeurigheid in de waardering ervan;

  4. tendentie bij het management – Een gebrek aan neutraliteit van het management bij het opstellen van informatie;

  5. puntschatting van het management – Het bedrag dat door het management als een puntschatting is gekozen om te worden opgenomen of toegelicht in de financiële overzichten;

  6. schattingsuitkomst – Het feitelijke bedrag dat voortvloeit uit de afwikkeling van de onderliggende transactie(s), gebeurtenis(sen) of omstandigheid(heden) waarop de schatting betrekking heeft.

Vereisten

Risico-inschattingswerkzaamheden en daarmee verband houdende werkzaamheden

8

Bij het uitvoeren van risico-inschattingswerkzaamheden en daarmee verband houdende werkzaamheden voor het verwerven van inzicht in de entiteit en haar omgeving, met inbegrip van de interne beheersing van de entiteit, zoals vereist is op grond van Standaard 315 Standaard 315, paragraaf 5, 6, 11 en 12., dient de accountant inzicht te verkrijgen in de onderstaande punten teneinde een basis te verschaffen voor het identificeren en inschatten van de risico’s op een afwijking van materieel belang bij schattingen: (Zie Par. A12)

  1. de voor de schattingen relevant zijnde vereisten van het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving, met inbegrip van de daarmee verband houdende toelichtingen; (Zie Par. A13, A14 en A15)

  2. de wijze waarop het management die transacties, gebeurtenissen en omstandigheden bepaalt die aanleiding kunnen geven tot de noodzaak om schattingen in de financiële overzichten op te nemen of toe te lichten. Bij het verkrijgen van dit inzicht dient de accountant bij het management om inlichtingen te verzoeken over veranderingen in omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot nieuwe schattingen of tot de noodzaak om bestaande schattingen te herzien. (Zie Par. A16, A17, A18, A19, A20 en A21)

  3. de wijze waarop het management de schattingen maakt, alsmede inzicht in de gegevens waarop deze zijn gebaseerd, met inbegrip van: (Zie Par. A22 en A23)

    1. de methode, met inbegrip van het model, indien van toepassing, die bij het maken van de schatting is gehanteerd; (Zie Par. A24, A25 en A26)

    2. de relevante interne beheersingsmaatregelen; (Zie Par. A27 en A28)

    3. de vraag of het management gebruik heeft gemaakt van een deskundige; (Zie Par. A29 en A30)

    4. de veronderstellingen die aan de schattingen ten grondslag liggen; (Zie Par. A31, A32, A33, A34, A35 en A36)

    5. de vraag of er een verandering ten opzichte van de voorgaande verslagperiode is geweest, dan wel had moeten zijn, in de methoden voor het maken van schattingen en zo ja, waarom; en (Zie Par. A37)

    6. de vraag of, en zo ja, op welke wijze, het management een inschatting heeft gemaakt

    7. van het effect van schattingsonzekerheid. (Zie Par. A38)

9

De accountant dient de schattingsuitkomst die is opgenomen in de financiële overzichten over de voorgaande verslagperiode dan wel, indien van toepassing, de latere herschatting ervan ten behoeve van de huidige verslagperiode te beoordelen. De aard en omvang van deze beoordeling door de accountant houdt rekening met de aard van de schattingen en met de vraag of de uit de beoordeling verkregen informatie relevant zou zijn voor het identificeren en inschatten van risico’s op een afwijking van materieel belang in schattingen die in de financiële overzichten over de huidige verslagperiode zijn gemaakt. Deze beoordeling is echter niet bedoeld om de in voorgaande verslagperioden gemaakte oordeelsvormingen, die waren gebaseerd op informatie die op dat moment beschikbaar was, ter discussie te stellen. (Zie Par. A39, A40, A41, A42, A43 en A44)

Risico's op een afwijking van materieel belang identificeren en inschatten

10

Bij het identificeren en inschatten van de risico’s op een afwijking van materieel belang, zoals vereist is op grond van Standaard 315Standaard 315, paragraaf 25. , dient de accountant de mate van schattingsonzekerheid die samenhangt met het maken van een schatting te evalueren. (Zie Par. A45 en A46)

11

De accountant dient te bepalen of, naar het oordeel van de accountant, enige van deze schattingen waarvan is onderkend dat zij een hoge mate van schattingsonzekerheid vertonen, aanleiding geven tot significante risico’s. (Zie Par. A47A47, A48, A49, A50 en A51)

Het inspelen op de ingeschatte risico’s op een afwijking van materieel belang

12

Op basis van de ingeschatte risico’s op een afwijking van materieel belang dient de accountant te bepalen: (Zie Par. A52)

  1. of het management de door het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving gestelde vereisten met betrekking tot schattingen op passende wijze heeft toegepast; en (Zie Par. A53, A54, A55 en A56)

  2. of de methoden voor het maken van schattingen passend zijn en op consistente wijze zijn toegepast, alsmede of eventuele wijzigingen in de schattingen of in de methode voor het maken daarvan ten opzichte van de voorgaande verslagperiode in de gegeven omstandigheden passend zijn. (Zie Par. A57 en A58)

13

Bij het inspelen op de ingeschatte risico’s op een afwijking van materieel belang, zoals vereist is op grond van Standaard 330 Standaard 330, paragraaf 5. dient de accountant een of meer van de volgende acties te ondernemen, rekening houdend met de aard van de schatting: (Zie Par. A59, A60 en A61)

  1. bepalen of gebeurtenissen die zich voordoen tot aan de datum van de controleverklaring controle-informatie verschaffen met betrekking tot de schatting; (Zie Par. A62, A63, A64, A65, A66 en A67)

  2. toetsen hoe het management de schatting heeft gemaakt, en toetsen van de gegevens waarop de schatting is gebaseerd. Daarbij dient de accountant te evalueren of: (Zie Par. A68, A69 en A70)

    1. de gebruikte waarderingsmethode in de gegeven omstandigheden passend is; en (Zie Par. A71, A72, A73, A74, A75 en A76)

    2. de door het management gehanteerde veronderstellingen redelijk zijn in het licht van de waarderingsdoelstellingen van het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving. (Zie Par. A77, A78, A79, A80, A81, A82 en A83)

  3. toetsen van de effectieve werking van de interne beheersingsmaatregelen met betrekking tot de wijze waarop het management de schatting heeft gemaakt, samen met het uitvoeren van passende gegevensgerichte controles; (Zie Par. A84, A85 en A86)

  4. ontwikkelen van een puntschatting of een schattingsinterval om de puntschatting van het management te evalueren. Hiertoe dient de accountant: (Zie Par. A87, A88, A90 en A91)

    1. als hij gebruik maakt van veronderstellingen of methoden die verschillen van die van het management, voldoende inzicht in de veronderstellingen of methoden van het management te verkrijgen om vast te stellen dat de puntschatting of het schattingsinterval van de accountant rekening houdt met relevante variabelen en om alle significante verschillen ten opzichte van de puntschatting van het management te evalueren; (Zie Par. A92)

    2. als hij tot de conclusie komt dat het passend is een schattingsinterval te hanteren, het schattingsinterval op basis van de beschikbare controle-informatie zodanig te verkleinen dat alle resultaten binnen het interval als redelijk worden beschouwd. (Zie Par. A93, A94 en A95)

14

Bij het bepalen van de in paragraaf 12 genoemde aangelegenheden of bij het inspelen op de ingeschatte risico’s op een afwijking van materieel belang in overeenstemming met paragraaf 13 dient de accountant te overwegen of specialistische vaardigheden of kennis met betrekking tot een of meer aspecten van de schattingen vereist zijn teneinde voldoende en geschikte controle-informatie te verkrijgen. (Zie Par. A96, A97, A98, A99, A100 en A101)

Verdere gegevensgerichte controles om op significante risico’s in te spelen

Schattingsonzekerheid

15

Voor schattingen die tot significante risico’s leiden, dient de accountant naast andere gegevensgerichte controles die worden uitgevoerd om aan de vereisten van Standaard 330 Standaard 330, paragraaf 18. te voldoen de volgende zaken te evalueren: (Zie Par. A102)

  1. de wijze waarop het management alternatieve veronderstellingen of resultaten heeft overwogen en de redenen waarom het deze heeft verworpen, dan wel op welke andere wijze het management bij het maken van een schatting is omgegaan met schattingsonzekerheid; (Zie Par. A103, A104, A105 en A106)

  2. de vraag of de door het management gehanteerde significante veronderstellingen redelijk zijn; (Zie Par. A107, A108 en A109)

  3. waar relevant voor de redelijkheid van de door het management gehanteerde significante veronderstellingen of voor de geschikte toepassing van het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving, het voornemen van het management om bepaalde handelingen uit te voeren en de mogelijkheid van het management dit ook tot uitvoer te brengen. (Zie Par. A110)

16

Als de accountant op grond van zijn oordeelsvorming van mening is dat het management de effecten van schattingsonzekerheid op schattingen die aanleiding geven tot significante risico’s niet adequaat heeft aangepakt, dient hij, als dat noodzakelijk wordt geacht, een interval te ontwikkelen om daarmee de redelijkheid van de schatting te evalueren. (Zie Par. A111 en A112)

Criteria voor opname en waardering

17

Voor schattingen die aanleiding geven tot significante risico’s dient de accountant voldoende en geschikte controle-informatie te verkrijgen over de vraag of:

  1. de beslissing van het management om de schattingen al dan niet in de financiële overzichten op te nemen; en (Zie Par. A113 en A114)

  2. de gekozen waarderingsgrondslag voor de schattingen, (Zie Par. A115)

in overeenstemming zijn met de vereisten van het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving.

Het evalueren van de redelijkheid van de schattingen en het vaststellen van afwijkingen

18

De accountant dient op basis van de controle-informatie te evalueren of de schattingen in de financiële overzichten redelijk zijn in de context van het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving dan wel of ze een afwijking bevatten. (Zie Par. A116, A117, A118 en A119)

Toelichtingen met betrekking tot schattingen

19

De accountant dient voldoende en geschikte controle-informatie te verkrijgen over de vraag of de in de financiële overzichten opgenomen toelichtingen met betrekking tot schattingen in overeenstemming zijn met de vereisten van het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving. (Zie Par. A120 en A121)

20

Voor schattingen die aanleiding geven tot significante risico’s dient de accountant eveneens te evalueren of de schattingsonzekerheid adequaat is toegelicht in de financiële overzichten in de context van het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving. (Zie Par. A122 en A123)

Indicaties voor mogelijke tendentie bij het management

21

De accountant dient de oordeelsvormingen en besluiten van het management bij het maken van schattingen te beoordelen om vast te stellen of er indicaties voor mogelijke tendentie bij het management zijn. Indicaties voor mogelijke tendentie bij het management vormen op zichzelf geen afwijkingen bij het trekken van conclusies over de redelijkheid van individuele schattingen. (Zie Par. A124 en A125)

Schriftelijke bevestigingen

22

De accountant dient van het management en, in voorkomend geval, van de met governance belaste personen, schriftelijke bevestigingen te verkrijgen of het van mening is dat significante veronderstellingen die bij het maken van schattingen zijn gehanteerd, redelijk zijn. (Zie Par. A126 en A127)

Documentatie

23

De accountant dient in de controledocumentatie op te nemen:Standaard 230 Controledocumentatie, paragraaf 8, 9, 10, 11 en A6.

  1. de grondslag voor de conclusies van de accountant omtrent de redelijkheid van schattingen en de toelichtingen daarop die aanleiding geven tot significante risico’s; en

  2. indicaties voor mogelijke tendentie bij het management. (Zie Par. A128)

Toepassingsgerichte en overige verklarende teksten

De aard van schattingen

(Zie Par. 2)

A1

Vanwege de onzekerheden die inherent zijn aan zakelijke activiteiten kunnen sommige elementen in financiële overzichten slechts worden geschat. Verder kunnen de specifieke kenmerken van een actief, een verplichting of een component van het eigen vermogen, dan wel de door het stelsel inzake financiële verslaggeving voorgeschreven waarderingsgrondslag of -methode aanleiding geven tot de noodzaak om een element in de financiële overzichten te schatten. Sommige stelsels inzake financiële verslaggeving schrijven voor welke specifieke waarderingsmethoden en welke toelichtingen in de financiële overzichten nodig zijn, terwijl andere stelsels inzake financiële verslaggeving daarover minder specifiek zijn. De bijlage bij deze Standaard bespreekt waarderingen tegen reële waarde en toelichtingen daarop overeenkomstig verschillende stelsels inzake financiële verslaggeving.

A2

Sommige schattingen houden een betrekkelijk lage schattingsonzekerheid in en kunnen aanleiding geven tot lagere risico’s op afwijkingen van materieel belang, bijvoorbeeld:

  • schattingen die voorkomen bij entiteiten die geen ingewikkelde zakelijke activiteiten hebben;

  • schattingen die veelvuldig gemaakt en geactualiseerd worden omdat ze betrekking hebben op routinematige transacties;

  • schattingen die afgeleid zijn van gegevens die direct beschikbaar zijn, zoals gepubliceerde rentevoeten of beurskoersen van effecten. Dergelijke gegevens kunnen als ‘waarneembaar’ worden aangemerkt in de context van een schatting van de reële waarde;

  • schattingen van de reële waarde als de door het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving voorgeschreven waarderingsmethode eenvoudig is en gemakkelijk wordt toegepast op het actief of het passief/de verplichting waarvan waardering tegen reële waarde is vereist;

  • schattingen van de reële waarde als het gehanteerde schattingsmodel algemeen bekend en algemeen aanvaard is, mits de veronderstellingen of inputs voor het model waarneembaar zijn.

A3

Voor sommige schattingen kan echter een relatief grote schattingsonzekerheid bestaan, in het bijzonder als ze op significante veronderstellingen zijn gebaseerd, bijvoorbeeld:

  • schattingen die betrekking hebben op de uitkomst van een rechtszaak;

  • schattingen van de reële waarde van afgeleide financiële instrumenten die niet openbaar worden verhandeld;

  • schattingen van de reële waarde waarvoor een zeer gespecialiseerd model wordt gebruikt dat binnen de entiteit is ontwikkeld of waarvoor er veronderstellingen of inputs bestaan die niet in de markt waarneembaar zijn.

A4

De mate van schattingsonzekerheid varieert naar gelang van de aard van de schatting, de mate waarin er een algemeen aanvaarde methode of algemeen aanvaard model bestaat die/dat is gebruikt om de schatting te maken, alsmede de subjectiviteit van de veronderstellingen die zijn gehanteerd om de schatting te maken. In bepaalde gevallen kan de schattingsonzekerheid zo groot zijn dat niet aan de voor het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving geldende criteria voor opname wordt voldaan en dat de schatting niet kan worden gemaakt.

A5

Niet voor alle elementen in de financiële overzichten waarvoor een schatting tegen reële waarde moet worden gemaakt bestaat schattingsonzekerheid. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn voor bepaalde elementen in de financiële overzichten als er een actieve en open markt bestaat die voorziet in direct beschikbare en betrouwbare informatie over de prijzen waartegen actuele transacties plaatsvinden, in welk geval het bestaan van gepubliceerde prijsnoteringen gewoonlijk de beste controle-informatie omtrent de reële waarde vormt. Er kan echter zelfs schattingsonzekerheid bestaan als de waarderingsmethode en de gegevens goed gedefinieerd zijn. Voor de waardering van effecten genoteerd in een actieve en open markt tegen beursnotering kan bijvoorbeeld een aanpassing noodzakelijk zijn als de positie in die effecten significant is in verhouding tot de markt of als die effecten beperkt verhandelbaar zijn. Bovendien kunnen op een bepaald moment heersende algemene economische omstandigheden, bijvoorbeeld, illiquiditeit op een specifieke markt, invloed hebben op de schattingsonzekerheid.

A6

Aanvullende voorbeelden van situaties waarin andere schattingen dan schattingen van de reële waarde noodzakelijk kunnen zijn, zijn:

  • voorziening voor dubieuze vorderingen;

  • incourantheid van voorraden;

  • garantieverplichtingen;

  • afschrijvingsmethode of gebruiksduur van een actief;

  • voorziening voor de boekwaarde van een investering als er onzekerheid bestaat met betrekking tot de realiseerbaarheid ervan;

  • het resultaat van langlopende contracten;

  • kosten die voortvloeien uit schikkingen en vonnissen ingevolge rechtszaken.

A7

Aanvullende voorbeelden van situaties waarin schattingen van de reële waarde noodzakelijk kunnen zijn, zijn:

  • complexe financiële instrumenten die niet in een actieve en open markt worden verhandeld;

  • op aandelen gebaseerde betalingen;

  • gebouwen en installaties die zullen worden vervreemd;

  • bepaalde bij een bedrijfscombinatie verworven activa of overgenomen verplichtingen, met inbegrip van goodwill en immateriële vaste activa;

  • transacties die betrekking hebben op de ruil van activa of passiva/verplichtingen tussen onafhankelijke partijen zonder geldelijke tegenprestatie, bijvoorbeeld een niet-monetaire ruil van fabrieksinstallaties uit verschillende bedrijfsactiviteiten.

A8

Het maken van schattingen houdt in dat oordeelsvormingen worden gemaakt op basis van informatie die tijdens de opstelling van de financiële overzichten beschikbaar is. Voor veel schattingen omvat dit het maken van veronderstellingen over aangelegenheden die op het moment van de schatting onzeker zijn. De accountant is niet verantwoordelijk voor het voorspellen van toekomstige omstandigheden, transacties of gebeurtenissen die, indien ze op het moment van de controle bekend waren geweest, de acties van het management of de door het management gehanteerde veronderstellingen op significante wijze hadden kunnen beïnvloeden.

Tendentie bij het management

A9

Stelsels inzake financiële verslaggeving vragen dikwijls om neutraliteit, dat wil zeggen afwezigheid van tendentie. Schattingen zijn echter niet nauwkeurig en kunnen worden beïnvloed door de oordeelsvorming die het management heeft gemaakt. Deze oordeelsvorming kunnen het gevolg zijn van onopzettelijke of opzettelijke tendentie bij het management (bijvoorbeeld als gevolg van de motivatie om een gewenst resultaat te bereiken). De vatbaarheid van een schatting voor tendentie bij het management wordt groter naarmate de subjectiviteit bij het maken ervan toeneemt. Onopzettelijke tendentie door het management en de mogelijkheid van opzettelijke tendentie bij het management zijn inherent aan subjectieve beslissingen die vaak moeten worden genomen bij het maken van een schatting. Voor doorlopende controleopdrachten zijn tijdens de controle van de voorgaande verslagperioden vastgestelde indicaties van mogelijke tendentie bij het management van invloed op de activiteiten van de accountant wat betreft het plannen en het en inschatten van risico’s in de huidige verslagperiode.

A10

Tendentie bij het management kan op rekeningniveau moeilijk te detecteren zijn. Zij is mogelijk slechts te identificeren als naar het totaal van groepen van schattingen of alle schattingen dan wel naar een aantal verslagperioden wordt gekeken. Hoewel een bepaalde vorm van tendentie bij het management inherent is aan subjectieve beslissingen, is bij het maken van dergelijke oordeelsvormingen niet altijd sprake van een intentie van het management om de gebruikers van financiële overzichten te misleiden. Als echter wel een intentie om te misleiden bestaat, is tendentie bij het management frauduleus van aard.

Overwegingen die specifiek voor entiteiten in de publieke sector gelden

A11

Entiteiten in de publieke sector kunnen significante posities in gespecialiseerde activa hebben waarvoor geen direct beschikbare en betrouwbare informatiebronnen bestaan ten behoeve van de waardering tegen reële waarde of andere grondslagen van actuele waarde, dan wel een combinatie van deze twee. Vaak genereren specialistische activa geen kasstromen en bestaat er geen actieve markt voor. Waardering tegen reële waarde vereist daarom gewoonlijk een schatting en kan complex of in bepaalde zeldzame gevallen zelfs totaal onmogelijk zijn.

Risico-inschattingswerkzaamheden en daarmee verband houdende werkzaamheden

(Zie Par. 8)

A12

De risico-inschattingswerkzaamheden en daarmee verband houdende werkzaamheden die op grond van paragraaf 8 van deze Standaard vereist zijn, ondersteunen de accountant bij het ontwikkelen van een verwachting omtrent de aard en het soort van schattingen die binnen een entiteit kunnen bestaan. Het belangrijkste dat de accountant moet overwegen, is of het inzicht dat hij heeft verkregen volstaat om de risico’s op een afwijking van materieel belang in schattingen te identificeren en in te schatten, alsmede om de aard, timing en omvang van verdere controlewerkzaamheden te plannen.

Het verwerven van inzicht in de vereisten van het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving

(Zie Par. 8(a))

A13

Het verwerven van inzicht in de vereisten van het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving ondersteunt de accountant bij het vaststellen of dat stelsel bijvoorbeeld:

  • bepaalde voorwaarden voor de opnameDe meeste stelsels inzake financiële verslaggeving vereisen dat elementen die aan de criteria voor de opname ervan voldoen in de balans of de winst-en-verliesrekening worden opgenomen. Het verschaffen van toelichtingen op de gehanteerde grondslagen voor financiële verslaggeving of het toevoegen van toelichtingen aan de financiële overzichten is geen alternatief voor het niet opnemen van dergelijke elementen, met inbegrip van schattingen., of methoden voor de bepaling, van schattingen voorschrijft;

  • bepaalde intenties noemt die waardering tegen reële waarde toestaan of vereisen, bijvoorbeeld door te verwijzen naar voornemens van het management om bepaalde handelingen uit te voeren met betrekking tot een actief of een passief/verplichting;

  • vereiste of toegestane toelichtingen noemt.

Het verkrijgen van dit inzicht verschaft de accountant tevens een basis om met het management te bespreken hoe het management deze voor de schatting relevante vereisten heeft toegepast, alsmede om zelf te bepalen of deze op passende wijze zijn toegepast.

A14

Stelsels inzake financiële verslaggeving kunnen het management leidraden verschaffen voor het maken van puntschattingen als er alternatieven bestaan. Bepaalde stelsels inzake financiële verslaggeving vereisen bijvoorbeeld dat de gekozen puntschatting het alternatief is dat de inschatting door het management van het meest waarschijnlijke resultaat weerspiegelt. Het is mogelijk dat verschillende stelsels inzake financiële verslaggeving andere termen gebruiken om de op deze wijze vastgestelde puntschattingen te beschrijven. Andere stelsels vereisen bijvoorbeeld het gebruik van een verdisconteerde, kansgewogen verwachte waarde. In sommige gevallen is het management in staat direct een puntschatting te maken. In andere gevallen kan het management pas een betrouwbare puntschatting maken nadat het alternatieve veronderstellingen of resultaten heeft overwogen op basis waarvan het in staat is een puntschatting te maken.

A15

Stelsels inzake financiële verslaggeving kunnen vereisen dat toelichtingen worden opgenomen met betrekking tot de significante veronderstellingen waarvoor de schatting bijzonder gevoelig is. Daarnaast staan bepaalde stelsels inzake financiële verslaggeving, als er een hoge mate van schattingsonzekerheid bestaat, niet toe dat in de financiële overzichten een schatting wordt opgenomen, maar kunnen ze vereisen dat in de toelichtingen op de financiële overzichten bepaalde informatie wordt verstrekt.

Het verwerven van inzicht in de wijze waarop het management bepaalt of al dan niet schattingen moeten worden gemaakt

(Zie Par. 8(b))

A16

Het opstellen van de financiële overzichten vereist van het management om na te gaan of een transactie, gebeurtenis of omstandigheid aanleiding geeft tot de noodzaak om een schatting te maken, en of alle noodzakelijke schattingen zijn opgenomen, bepaald en toegelicht in de financiële overzichten in overeenstemming met het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving.

A17

Het bepalen door het management van transacties, gebeurtenissen en omstandigheden die aanleiding geven tot de noodzaak om schattingen te maken, wordt waarschijnlijk gebaseerd op:

  • de kennis van het management van de activiteiten van de entiteit en de sector waarin zij actief is;

  • de kennis van het management van de implementatie van bedrijfsstrategieën in de huidige verslagperiode;

  • waar van toepassing, de cumulatieve ervaring van het management met het opstellen van de financiële overzichten van de entiteit in voorgaande verslagperioden.

In dergelijke gevallen kan de accountant inzicht verkrijgen in de wijze waarop het management bepaalt of schattingen noodzakelijk zijn, hoofdzakelijk door het management om inlichtingen te verzoeken. In andere gevallen waarin het proces van het management meer gestructureerd is, bijvoorbeeld als het management over een formele risicobeheerfunctie beschikt, kan de accountant risico-inschattingswerkzaamheden uitvoeren die gericht zijn op de door het management gehanteerde methoden en praktijken om de omstandigheden die aanleiding geven tot schattingen en, indien nodig, het maken van nieuwe schattingen periodiek te beoordelen. De volledigheid van schattingen is vaak een belangrijk aandachtspunt van de accountant, in het bijzonder schattingen met betrekking tot verplichtingen.

A18

Het inzicht dat de accountant tijdens de uitvoering van de risico-inschattingswerkzaamheden heeft verkregen in de entiteit en haar omgeving, samen met andere in de loop van de controle verkregen controle-informatie, ondersteunt de accountant bij het bepalen van omstandigheden, of veranderingen in omstandigheden, die aanleiding kunnen geven tot de noodzaak om een schatting te maken.

A19

Verzoeken bij het management om inlichtingen over veranderingen in omstandigheden kunnen bijvoorbeeld inhouden dat verzocht wordt om inlichtingen over de vraag of:

  • de entiteit nieuwe soorten transacties is aangegaan die aanleiding kunnen geven tot schattingen;

  • de voorwaarden van transacties die aanleiding gaven tot schattingen zijn veranderd;

  • de met betrekking tot schattingen gehanteerde grondslagen voor de financiële verslaggeving zijn veranderd, als gevolg van veranderingen in de vereisten van het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving dan wel anderszins;

  • veranderingen op het gebied van regelgeving of andere veranderingen waarover het management geen controle heeft zijn opgetreden die kunnen vereisen dat het management schattingen moet herzien of opnieuw moet maken;

  • er nieuwe omstandigheden of gebeurtenissen zijn opgetreden die aanleiding kunnen geven tot de noodzaak om schattingen te maken of bestaande schattingen te herzien.

A20

De accountant kan tijdens de controle transacties, gebeurtenissen of omstandigheden identificeren die aanleiding geven tot de noodzaak om schattingen te maken, maar die niet door het management zijn geïdentificeerd. Standaard 315 behandelt de situatie waarin de accountant niet door het management geïdentificeerde risico’s op een afwijking van materieel belang identificeert, met inbegrip van het bepalen of er sprake is van een significante tekortkoming in de interne beheersing met betrekking tot het risico-inschattingsproces van de entiteit. Standaard 315, paragraaf 16.

Overwegingen die specifiek voor kleinere entiteiten gelden

A21

Het verkrijgen van dit inzicht is bij kleinere entiteiten vaak minder complex omdat hun bedrijfsactiviteiten vaak beperkt en hun transacties minder complex zijn. Bovendien bepaalt vaak één persoon, bijvoorbeeld de eigenaar-bestuurder, of het nodig is een schatting te maken, waardoor de accountant gerichter om inlichtingen kan verzoeken.

Het verwerven van inzicht in de wijze waarop het management schattingen maakt

(Zie Par. 8(c))

A22

Het opstellen van financiële overzichten vereist ook dat het management financiële verslaggevingsprocessen voor het maken van schattingen vaststelt, met inbegrip van een adequate interne beheersing. Deze processen omvatten het volgende:

  • het selecteren van passende grondslagen voor financiële verslaggeving en het voorschrijven van schattingsprocessen, met inbegrip van passende schattings- en waarderingsmethoden, waaronder, waar van toepassing, modellen;

  • het ontwikkelen en bepalen van relevante gegevens en veronderstellingen die op schattingen van invloed zijn;

  • het periodiek beoordelen van de omstandigheden die aanleiding geven tot schattingen en het zo nodig opnieuw maken van de schattingen.

A23

Aangelegenheden waarmee de accountant rekening kan houden bij het verwerven van inzicht in de wijze waarop het management schattingen maakt, zijn onder meer:

  • de soorten rekeningen of transacties waarop de schattingen betrekking hebben (bijvoorbeeld of de schattingen voortkomen uit vastleggingen van routinematige en terugkerende transacties dan wel uit eenmalige of ongebruikelijke transacties);

  • de vraag of, en zo ja, op welke wijze het management gebruik heeft gemaakt van erkende waarderingstechnieken voor het maken van bepaalde schattingen;

  • de vraag of de schattingen werden gemaakt op basis van gegevens die op een tussentijdse datum beschikbaar waren en, zo ja, of en op welke wijze het management rekening heeft gehouden met het effect van gebeurtenissen, transacties en veranderingen in omstandigheden die zich tussen die datum en het einde van de verslagperiode hebben voorgedaan.

Waarderingsmethode, met inbegrip van het gebruik van modellen

(Zie Par. 8(c)(i))

A24

In sommige gevallen kan het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving de waarderingsmethode voor een schatting voorschrijven, bijvoorbeeld een bepaald model dat bij het schatten van de reële waarde moet worden gebruikt. In veel gevallen schrijft het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving de waarderingsmethode echter niet voor of kan het alternatieve waarderingsmethoden specificeren.

A25

Als het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving niet een bepaalde methode voorschrijft die in de gegeven omstandigheden moet worden gevolgd, kan de accountant bij het verwerven van inzicht in de methode die of, indien van toepassing, het model dat voor het maken van schattingen is gehanteerd, onder meer rekening houden met:

  • de wijze waarop het management bij de keuze van een bepaalde methode rekening heeft gehouden met de aard van het geschatte actief of passief/de geschatte verplichting;

  • de vraag of de entiteit actief is in een bepaalde bedrijfstak, sector of omgeving waar methoden bestaan die gewoonlijk worden gehanteerd bij het maken van de specifieke soort schatting.

A26

Er kunnen grotere risico’s op een afwijking van materieel belang bestaan bijvoorbeeld wanneer het management intern een model heeft ontwikkeld dat bij het maken van de schatting wordt gehanteerd of als het management afwijkt van een methode die in een bepaalde sector of omgeving gewoonlijk wordt gehanteerd.

Relevante interne beheersingsmaatregelen

(Zie Par. 8(c)(ii))

A27

Bij het verwerven van inzicht in relevante interne beheersingsmaatregelen kan de accountant onder meer de ervaring en competentie van de personen die de schattingen maken overwegen, alsook de interne beheersingsmaatregelen met betrekking tot:

  • de wijze waarop het management bepaalt in welke mate de bij schattingen gebruikte gegevens volledig relevant en nauwkeurig zijn;

  • de beoordeling en goedkeuring van schattingen, met inbegrip van de bij die schattingen gehanteerde veronderstellingen of inputs, door passende managementniveaus en, in voorkomend geval, de met governance belaste personen;

  • de functiescheiding tussen de personen die namens de entiteit de onderliggende transacties aangaan en de personen die verantwoordelijk zijn voor het maken van de schattingen, met inbegrip van de vraag of bij de toewijzing van verantwoordelijkheden op passende wijze rekening wordt gehouden met de aard van de entiteit en haar producten of diensten (bijvoorbeeld in het geval van een grote financiële instelling kunnen relevante functiescheidingen inhouden dat de verantwoordelijkheid voor het schatten en valideren van prijsstellingen op basis van de reële waarde van eigendomsrechtelijk beschermde financiële producten van de entiteit ligt bij een onafhankelijke functie die bemand wordt door personen wier beloning niet aan dergelijke producten is gekoppeld).

A28

Andere interne beheersingsmaatregelen kunnen, afhankelijk van de omstandigheden, relevant zijn voor het maken van schattingen. Als de entiteit bijvoorbeeld specifieke schattingsmodellen gebruikt, kan het management specifieke beleidslijnen en procedures met betrekking tot die modellen vaststellen. Relevante interne beheersingsmaatregelen zijn bijvoorbeeld die welke zijn vastgesteld voor:

  • het ontwerpen en ontwikkelen dan wel het kiezen van een bepaald model voor een bepaald doel;

  • het gebruikmaken van het model;

  • het onderhouden en periodiek valideren van de integriteit van het model.

Inschakeling van deskundigen door het management

(Zie Par. 8(c)(iii))

A29

Het is mogelijk dat het management beschikt over, of dat de entiteit personen in dienst heeft die beschikken over, de ervaring en competentie die nodig zijn om de vereiste puntschattingen te maken. In sommige gevallen kan het management echter genoodzaakt zijn een deskundige in te schakelen om deze schattingen te maken of om het management daarbij te helpen. Dit kan bijvoorbeeld nodig zijn vanwege:

  • de specialistische aard van het te schatten element, bijvoorbeeld de waardering van reserves van delfstoffen of koolwaterstoffen in winningsindustrieën;

  • het technische karakter van de modellen die nodig zijn om te voldoen aan de relevante vereisten van het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving, zoals dat bij bepaalde waarderingen tegen reële waarde het geval kan zijn;

  • het ongebruikelijke of niet-frequente karakter van de omstandigheid, transactie of gebeurtenis die een schatting noodzakelijk maakt.

Overwegingen die specifiek voor kleinere entiteiten gelden

A30

In kleinere entiteiten zijn de omstandigheden die een schatting noodzakelijk maken vaak van dien aard dat de eigenaar-bestuurder in staat is de vereiste puntschatting te maken. In sommige gevallen zal echter een deskundige nodig zijn. Een bespreking met de eigenaar-bestuurder in een vroeg stadium van de controle over de aard van eventuele schattingen, de volledigheid van de vereiste schattingen alsmede de adequaatheid van het schattingsproces kan de eigenaar-bestuurder helpen bepalen of het nodig is een deskundige in te schakelen.

Veronderstellingen

(Zie Par. 8(c)(iv))

A31

Veronderstellingen zijn integrerende onderdelen van schattingen. De accountant kan bij het verwerven van inzicht in de aan de schattingen ten grondslag liggende veronderstellingen onder meer rekening houden met:

  • de aard van de veronderstellingen, met inbegrip van de vraag welke veronderstellingen waarschijnlijk significante veronderstellingen zijn;

  • de wijze waarop het management inschat of de veronderstellingen relevant en volledig zijn (dat wil zeggen dat met alle relevante variabelen rekening is gehouden);

  • indien van toepassing, de wijze waarop het management vaststelt dat de gehanteerde veronderstellingen intern consistent zijn;

  • de vraag of de veronderstellingen betrekking hebben op aangelegenheden waarover het management controle heeft (bijvoorbeeld veronderstellingen over onderhoudsprogramma’s die van invloed kunnen zijn op de schatting van de gebruiksduur van een actief), en de wijze waarop zij aansluiten op de businessplannen van de entiteit en de externe omgeving, dan wel op aangelegenheden waarop het management geen invloed heeft (bijvoorbeeld veronderstellingen over rentevoeten, sterftecijfers, mogelijke gerechtelijke acties of toezichthoudende maatregelen dan wel de veranderlijkheid en de timing van toekomstige kasstromen);

  • de aard en omvang van eventuele documentatie ter onderbouwing van de veronderstellingen.

Veronderstellingen kunnen door een deskundige worden gemaakt of vastgesteld om het management te helpen bij het maken van schattingen. Als dergelijke veronderstellingen door het management worden gehanteerd, worden ze veronderstellingen van het management.

A32

In bepaalde gevallen kunnen veronderstellingen worden aangemerkt als inputs, bijvoorbeeld als het management gebruikmaakt van een model om een schatting te maken, hoewel de term inputs ook kan worden gebruikt om te verwijzen naar de onderliggende gegevens waarop bepaalde veronderstellingen zijn toegepast.

A33

Het management kan veronderstellingen onderbouwen met verschillende soorten informatie die is ontleend aan interne en externe bronnen, waarvan de relevantie en betrouwbaarheid zal verschillen. In sommige gevallen kan een veronderstelling op betrouwbare wijze worden gebaseerd op beschikbare informatie van externe bronnen (bijvoorbeeld een gepubliceerde rentevoet of andere statistische gegevens) dan wel interne bronnen (bijvoorbeeld historische informatie of eerdere situaties waarmee de entiteit is geconfronteerd). In andere gevallen kan een veronderstelling meer subjectief zijn, bijvoorbeeld als de entiteit niet beschikt over ervaring of externe bronnen waaruit kan worden geput.

A34

In het geval van schattingen van de reële waarde zijn veronderstellingen een weergave van of sporen ze met datgene wat goed geïnformeerde, tot een transactie bereid zijnde, marktconforme partijen (soms aangeduid als ‘marktpartijen’ of een vergelijkbare term) zouden hanteren om de reële waarde te bepalen bij de verhandeling van een actief of de afwikkeling van een verplichting. Specifieke veronderstellingen zullen ook verschillen naar gelang van de kenmerken van het te waarderen actief of de te waarderen verplichting, de gehanteerde waarderingsmethode (bijvoorbeeld een marktbenadering dan wel resultatenbenadering) en de vereisten van het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving.

A35

Wat schattingen van de reële waarde betreft, verschillen veronderstellingen of inputs op het punt van hun bron en grondslagen, en wel als volgt:

  1. zij die weergeven wat marktpartijen zouden hanteren bij het vaststellen van de prijs van een actief of verplichting op basis van marktgegevens afkomstig van bronnen die onafhankelijk zijn van de verslaggevende entiteit (soms aangeduid als ‘waarneembare inputs’ of een vergelijkbare term);

  2. zij die de eigen oordeelsvormingen van de entiteit weergeven met betrekking tot de vraag welke veronderstellingen marktpartijen zouden hanteren bij het vaststellen van de prijs van een actief of verplichting op basis van de beste informatie die in de gegeven omstandigheden beschikbaar is (soms aangeduid als ‘niet-waarneembare inputs’ of een vergelijkbare term).

In de praktijk is het verschil tussen (a) en (b) niet altijd duidelijk. Daarnaast kan het voor het management noodzakelijk zijn een keuze te maken uit verschillende veronderstellingen die door verschillende marktpartijen worden gehanteerd.

A36

De mate van subjectiviteit, zoals de vraag of een veronderstelling of een input waarneembaar is, is van invloed op de mate van schattingsonzekerheid en daardoor op de inschatting door de accountant van de risico’s op een afwijking van materieel belang voor een bepaalde schatting.

Wijzigingen in methoden voor het maken van schattingen

(Zie Par. 8(c)(v))

A37

Bij het evalueren van de wijze waarop het management schattingen maakt, wordt van de accountant vereist dat hij weet of er al dan niet een wijziging in de methoden voor het maken van schattingen ten opzichte van de voorgaande verslagperiode is geweest dan wel had moeten zijn. Het kan noodzakelijk zijn dat een bepaalde schattingsmethode gewijzigd moet worden om in te spelen op veranderingen in de omgeving of omstandigheden die van invloed zijn op de entiteit dan wel in de vereisten van het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving. Als het management de methode voor het maken van een schatting heeft gewijzigd, is het belangrijk dat het management kan aantonen dat de nieuwe methode passender is, dan wel dat deze inspeelt op dergelijke veranderingen. Als het management bijvoorbeeld de grondslag voor het maken van een schatting wijzigt van een mark-to-market benadering naar een specifiek schattingsmodel, onderzoekt de accountant op kritische wijze of de veronderstellingen van het management omtrent de markt redelijk zijn in het licht van de economische omstandigheden.

Schattingsonzekerheid

(Zie Par. 8(c)(vi))

A38

Bij het verwerven van inzicht met betrekking tot de vraag of en, zo ja, op welke wijze het management het effect van een schattingsonzekerheid heeft ingeschat, kan de accountant onder meer rekening houden met:

  • de vraag of en, zo ja, op welke wijze het management rekening heeft gehouden met alternatieve veronderstellingen of resultaten door bijvoorbeeld een gevoeligheidsanalyse uit te voeren teneinde het effect van wijzigingen in de veronderstellingen op een schatting te bepalen;

  • de wijze waarop het management de schatting vaststelt als de analyse twee of meer mogelijke resultaten aangeeft;

  • de vraag of het management de in de voorgaande verslagperiode gemaakte schattingsresultaten monitort, en de vraag of het management op passende wijze heeft ingespeeld op de resultaten van die monitoringprocedure.

Het beoordelen van schattingen uit de voorgaande verslagperiode

(Zie Par. 9)

A39

Vaak zal het schattingsresultaat verschillen van de schatting die in de financiële overzichten van de voorgaande verslagperiode is opgenomen. Door het uitvoeren van risico-inschattingswerkzaamheden teneinde de redenen voor die verschillen te bepalen en te begrijpen, kan de accountant:

  • informatie verkrijgen met betrekking tot de effectiviteit van het schattingsproces dat door het management in de vorige verslagperiode werd gehanteerd, op basis waarvan de accountant de waarschijnlijke effectiviteit van het door het management in de huidige verslagperiode gehanteerde proces kan inschatten;

  • controle-informatie verkrijgen die relevant is voor de hernieuwde schatting in de huidige verslagperiode van schattingen uit de voorgaande verslagperiode;

  • controle-informatie verkrijgen betreffende aangelegenheden, zoals schattingsonzekerheid, die in de financiële overzichten moeten worden toegelicht.

A40

De beoordeling van schattingen uit de voorgaande verslagperiode kan de accountant in de huidige verslagperiode ook helpen bij het identificeren van omstandigheden of condities die schattingen vatbaarder maken voor, of duiden op de aanwezigheid van, eventuele tendentie bij het management. De professioneel-kritische instelling van de accountant helpt hem bij het identificeren van dergelijke omstandigheden of condities en bij het bepalen van de aard, timing en omvang van verdere controlewerkzaamheden.

A41

Een retrospectieve beoordeling van de oordeelsvormingen en veronderstellingen van het management met betrekking tot significante schattingen is ook vereist op grond van Standaard 240.Standaard 240, Verantwoordelijkheden van de accountant met betrekking tot fraude in het kader van een controle van financiële overzichten, paragraaf 32(b)(ii). Deze beoordeling wordt uitgevoerd in het kader van het voor de accountant geldende vereiste werkzaamheden op te stellen en uit te voeren voor het beoordelen van schattingen op tendentie die een risico op een afwijking van materieel belang als gevolg van fraude kan vormen, om in te spelen op de risico’s dat het management interne beheersingsmaatregelen doorbreekt. Vanuit praktisch oogpunt kan een beoordeling door de accountant van schattingen uit de voorgaande verslagperiode als een van de risico-inschattingswerkzaamheden in overeenstemming met deze Standaard worden uitgevoerd in samenhang met de beoordeling die op grond van Standaard 240 vereist is.

A42

De accountant kan van oordeel zijn dat een meer gedetailleerde beoordeling noodzakelijk is voor de schattingen waarvan tijdens de controle van de voorgaande verslagperiode is vastgesteld dat zij een hoge mate van schattingsonzekerheid inhouden, of voor de schattingen die ten opzichte van de voorgaande verslagperiode significant zijn gewijzigd. Aan de andere kant kan de accountant bijvoorbeeld voor schattingen die voortkomen uit de vastlegging van routinematige en terugkerende transacties van oordeel zijn dat het toepassen van cijferanalyses als risico-inschattingswerkzaamheden volstaat voor het doel van deze beoordeling.

A43

Voor schattingen van de reële waarde en andere schattingen die op de actuele situatie op de waarderingsdatum zijn gebaseerd, kan meer variatie bestaan tussen de in de financiële overzichten van de voorgaande verslagperiode opgenomen reële waarde en het resultaat of het bedrag dat ten behoeve van de huidige verslagperiode werd herschat. Dit komt doordat de waarderingsdoelstelling voor dergelijke schattingen te maken heeft met percepties omtrent de waarde op een bepaald tijdstip, die significant en snel kunnen veranderen als de omgeving waarin de entiteit actief is, verandert. Daarom kan de accountant de beoordeling richten op het verkrijgen van informatie die relevant zou zijn bij het identificeren en inschatten van risico’s op een afwijking van materieel belang. In bepaalde gevallen is het bijvoorbeeld mogelijk dat het verwerven van inzicht in veranderingen in veronderstellingen van marktpartijen die van invloed zijn geweest op het resultaat van een schatting van de reële waarde in een voorgaande verslagperiode waarschijnlijk geen relevante informatie voor controledoeleinden oplevert. In dat geval kan het overwegen van de uitkomst van schattingen van de reële waarde in een voorgaande verslagperiode meer gericht worden op het begrijpen van de effectiviteit van het schattingsproces dat in de voorgaande verslagperiode door het management werd gehanteerd, dat wil zeggen het track record van het management, op basis waarvan de accountant de waarschijnlijke effectiviteit van het door het management in de huidige verslagperiode gehanteerde schattingsproces kan inschatten.

A44

Een verschil tussen het schattingsresultaat en het bedrag dat in de financiële overzichten van een voorgaande verslagperiode is opgenomen, vormt niet noodzakelijkerwijs een afwijking in de financiële overzichten over die voorgaande verslagperiode. Het kan echter wel een afwijking zijn als bijvoorbeeld het verschil voortkomt uit informatie waarover het management beschikte toen de financiële overzichten over de voorgaande verslagperiode werden afgerond, dan wel informatie waarvan redelijkerwijze kon worden verwacht dat deze bij de opstelling van die financiële overzichten was verkregen en in aanmerking genomen. Veel stelsels inzake financiële verslaggeving bevatten leidraden voor het maken van een onderscheid tussen wijzigingen in schattingen die afwijkingen vormen en wijzigingen in schattingen die geen afwijkingen vormen, alsmede voor de te volgen verwerkingswijze.

Risico's op een afwijking van materieel belang identificeren en inschatten

Schattingsonzekerheid

(Zie Par. 10)

A45

De mate van schattingsonzekerheid kan onder meer worden beïnvloed door:

  • de mate waarin de schatting afhankelijk is van inschatting;

  • de gevoeligheid van de schatting voor veranderingen in veronderstellingen;

  • het bestaan van erkende waarderingstechnieken die de schattingsonzekerheid kunnen beperken (hoewel de subjectiviteit van de als inputs gehanteerde veronderstellingen aanleiding kan geven tot schattingsonzekerheid);

  • de duur van de prognoseperiode, alsmede de relevantie van gegevens afgeleid uit gebeurtenissen in het verleden voor het voorspellen van toekomstige gebeurtenissen;

  • de beschikbaarheid van betrouwbare gegevens afkomstig van externe bronnen;

  • de mate waarin de schatting is gebaseerd op waarneembare dan wel niet-waarneembare inputs.

De mate van schattingsonzekerheid kan van invloed zijn op de mate waarin de schatting vatbaar is voor tendentie.

A46

Bij het inschatten van de risico’s op een afwijking van materieel belang kan de accountant onder meer ook rekening houden met:

  • de feitelijke of verwachte orde van grootte van een schatting;

  • het vastgelegde bedrag van de schatting (dat wil zeggen de puntschatting van het management) ten opzichte van het bedrag dat door de accountant als vastlegging werd verwacht;

  • de vraag of het management bij het maken van de schatting een deskundige heeft ingeschakeld;

  • het resultaat van de beoordeling van schattingen uit een voorgaande verslagperiode.

Grote schattingsonzekerheid en significante risico’s

(Zie Par. 11)

A47

Voorbeelden van schattingen die mogelijk met een grote schattingsonzekerheid gepaard gaan, zijn:

  • schattingen die in hoge mate afhankelijk zijn van oordeelsvorming, bijvoorbeeld over het resultaat van een lopende rechtszaak of het bedrag en de timing van toekomstige kasstromen hangen af van onzekere gebeurtenissen in de verre toekomst;

  • schattingen die niet met behulp van erkende waarderingstechnieken zijn berekend;

  • schattingen waarbij de resultaten van de beoordeling door de accountant van soortgelijke schattingen die in de financiële overzichten van een voorgaande verslagperiode zijn opgenomen duiden op een substantieel verschil tussen de oorspronkelijke schatting en het feitelijke resultaat;

  • schattingen van de reële waarde waarvoor een zeer gespecialiseerd, door de entiteit ontwikkeld model wordt gebruikt of waarvoor er geen waarneembare inputs zijn.

A48

Een schijnbaar niet van materieel belang zijnde schatting kan resulteren in een afwijking van materieel belang als gevolg van de schattingsonzekerheid die ermee samenhangt, met andere woorden de omvang van het bedrag dat als schatting in de financiële overzichten is opgenomen of toegelicht is mogelijk geen indicatie voor de schattingsonzekerheid die ermee samenhangt.

A49

In bepaalde omstandigheden is de schattingsonzekerheid zo groot dat geen redelijke schatting kan worden gemaakt. Daarom kan het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving verbieden dat het element in de financiële overzichten wordt opgenomen of dat het tegen reële waarde wordt gewaardeerd. In dergelijke gevallen hebben de significante risico’s niet alleen betrekking op de vraag of een schatting dient te worden opgenomen of tegen reële waarde moet worden gewaardeerd, maar ook op de adequaatheid van de in de financiële overzichten opgenomen toelichtingen. Wat dergelijke schattingen betreft, kan het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving vereisen dat de schattingen en de grote schattingsonzekerheid die ermee samenhangt worden toegelicht (Zie Par. A120, A121, A122 en A123).

A50

Als de accountant vaststelt dat een schatting aanleiding geeft tot een significant risico, wordt van de accountant vereist dat hij inzicht verkrijgt in de interne beheersingsmaatregelen van de entiteit, met inbegrip van de interne beheersingsactiviteiten Standaard 315, paragraaf 29..

A51

In bepaalde gevallen kan de schattingsonzekerheid aanzienlijke twijfel doen rijzen over de mogelijkheid van de entiteit om haar continuïteit te waarborgen. Standaard 570 Standaard 570, Continuïteit. stelt vereisten vast en verschaft leidraden in dergelijke situaties.

Het inspelen op de ingeschatte risico’s op een afwijking van materieel belang

(Zie Par. 12)

A52

Standaard 330 vereist dat de accountant controlewerkzaamheden opzet en uitvoert waarvan de aard, timing en omvang inspelen op de ingeschatte risico’s op een afwijking van materieel belang met betrekking tot schattingen op het niveau van zowel financiële overzichten als beweringen Standaard 330, paragraaf 5 en 6.. De paragrafen A53-A115 zijn alleen gericht op specifieke manieren van inspelen op het niveau van beweringen.

Het toepassen van de vereisten van het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving

(Zie Par. 12(a))

A53

Veel stelsels inzake financiële verslaggeving schrijven bepaalde voorwaarden voor de opname van schattingen voor en specificeren de methoden voor het maken van schattingen en voor vereiste toelichtingen. Deze vereisten kunnen complex zijn en vereisen de toepassing van oordeelsvorming. Op basis van het inzicht dat bij de uitvoering van risico-inschattingswerkzaamheden is verkregen, richt de aandacht van de accountant zich op de vereisten van het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving die vatbaar zijn voor verkeerde toepassing of afwijkende interpretaties.

A54

Het bepalen of het management de vereisten van het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving op passende wijze heeft toegepast is deels gebaseerd op het inzicht van de accountant in de entiteit en haar omgeving. Zo kan de waardering van de reële waarde van sommige elementen, zoals immateriële vaste activa die bij een bedrijfscombinatie zijn verworven, bijzondere overwegingen met zich meebrengen die door de aard van de entiteit en haar activiteiten worden beïnvloed.

A55

In bepaalde gevallen kunnen aanvullende controlewerkzaamheden, zoals het inspecteren door de accountant van de huidige fysieke toestand van een actief, noodzakelijk zijn om vast te stellen of het management de vereisten van het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving op passende wijze heeft toegepast.

A56

Bij het toepassen van de vereisten van het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving moet het management rekening houden met veranderingen in de omgeving of omstandigheden die op de entiteit van invloed zijn. Zo kan de introductie van een actieve markt voor een bepaalde categorie activa of verplichtingen erop wijzen dat het gebruik van verdisconteerde kasstromen voor het schatten van de reële waarde van dergelijke activa of verplichtingen niet langer passend is.

Consistentie in methoden en basis voor wijzigingen

(Zie Par. 12(b))

A57

De beoordeling door de accountant van een wijziging in een schatting of in de methode voor het maken van een schatting ten opzichte van de voorgaande verslagperiode is belangrijk omdat een wijziging die niet gebaseerd is op een verandering in omstandigheden of nieuwe informatie als arbitrair wordt beschouwd. Arbitraire wijzigingen in een schatting resulteren in financiële overzichten die in de tijd gezien niet consistent zijn en kunnen aanleiding geven tot een afwijking in de financiële overzichten dan wel een indicatie vormen voor mogelijke tendentiebij het management.

A58

Het management is vaak in staat een goede reden aan te voeren voor een wijziging in een schatting of in de methode voor het maken van een schatting ten opzichte van een andere verslagperiode op basis van een verandering in omstandigheden. Wat een goede reden vormt en hoe adequaat de onderbouwing van de bewering van het management is dat er een verandering in omstandigheden is opgetreden die een wijziging in een schatting of in de methode voor het maken van een schatting rechtvaardigt, is een kwestie van oordeelsvorming.

(Zie Par. 13)

A59

De beslissing van de accountant over de in paragraaf 13 genoemde acties die, afzonderlijk of in combinatie met elkaar, moeten worden ondernomen om in te spelen op de risico’s op een afwijking van materieel belang, kan onder meer worden beïnvloed door:

  • de aard van de schatting, met inbegrip van de vraag of deze voortkomt uit routinematige of niet-routinematige transacties;

  • de vraag of van de controlemaatregel(en) wordt verwacht dat zij de accountant op effectieve wijze voldoende en geschikte controle-informatie oplevert (opleveren);

  • het ingeschatte risico op een afwijking van materieel belang, met inbegrip van de vraag of het ingeschatte risico een significant risico is.

A60

Bijvoorbeeld bij het evalueren van de redelijkheid van de voorziening voor dubieuze vorderingen kunnen effectieve controlewerkzaamheden bestaan uit het beoordelen van latere geldontvangsten in combinatie met andere werkzaamheden. Als de schattingsonzekerheid die met het maken van een bepaalde schatting samenhangt groot is, bijvoorbeeld een schatting op basis van een intern ontwikkeld model waarvoor niet-waarneembare inputs bestaan, kan het voorkomen dat een combinatie van de in paragraaf 13 genoemde manieren om in te spelen op de ingeschatte risico’s noodzakelijk is om voldoende en geschikte controle-informatie te verkrijgen.

A61

Aanvullende leidraden ter toelichting van de omstandigheden waarin elk van de acties passend kan zijn, zijn vermeld in de paragrafen A62-A95.

Gebeurtenissen die zich voordoen tot aan de datum van de controleverklaring

(Zie Par. 13(a))

A62

Het vaststellen of gebeurtenissen die zich voordoen tot aan de datum van de controleverklaring controle-informatie met betrekking tot de schatting verschaffen, kan een passende reactie zijn als verwacht wordt dat dergelijke gebeurtenissen:

  • plaatsvinden; en

  • controle-informatie verschaffen die de schatting bevestigt of ermee in strijd is.

A63

Gebeurtenissen die zich tot aan de datum van de controleverklaring voordoen, kunnen soms voldoende en geschikte controle-informatie over een schatting verschaffen. Zo kan de verkoop van de gehele voorraad van een verouderd product kort na het einde van de verslagperiode controle-informatie verschaffen met betrekking tot de schatting van de opbrengstwaarde van die voorraad. In dergelijke gevallen is het mogelijk niet nodig aanvullende controlewerkzaamheden met betrekking tot de schatting uit te voeren, mits voldoende en geschikte controle-informatie over de gebeurtenissen wordt verkregen.

A64

Voor bepaalde schattingen is het onwaarschijnlijk dat gebeurtenissen die zich voordoen tot aan de datum van de controleverklaring controle-informatie met betrekking tot die schattingen verschaffen. De omstandigheden of gebeurtenissen met betrekking tot sommige schattingen ontwikkelen zich bijvoorbeeld over een langere periode. Vanwege de waarderingsdoelstelling van schattingen van de reële waarde is het ook mogelijk dat informatie na afloop van de verslagperiode de gebeurtenissen of omstandigheden op de balansdatum niet weerspiegelt, en dus mogelijk niet relevant is voor de schatting van de reële waarde. Paragraaf 13 vermeldt andere manieren die de accountant kan hanteren om in te spelen op de risico’s op een afwijking van materieel belang.

A65

In bepaalde gevallen kunnen gebeurtenissen die strijdig zijn met de schatting erop wijzen dat het management ineffectieve processen voor het maken van schattingen hanteert of dat er bij het maken van schattingen tendentie bij het management bestaat.

A66

Ook al kan de accountant besluiten om deze benadering met betrekking tot bepaalde schattingen niet te volgen, van de accountant wordt vereist dat hij zich wel houdt aan Standaard 560. Standaard 560, Gebeurtenissen na de einddatum van de verslagperiode.. Van de accountant wordt vereist dat hij controlewerkzaamheden uitvoert die zijn opgezet om voldoende en geschikte controle-informatie te verkrijgen dat alle gebeurtenissen die zich tussen de datum van de financiële overzichten en de datum van de controleverklaring voordoen en een aanpassing van of een toelichting in de financiële overzichten vereisen, zijn geïdentificeerd Standaard 560, paragraaf 6. en op passende wijze in de financiële overzichten zijn weerspiegeld. Standaard 560, paragraaf 8. Omdat de waardering van veel schattingen die geen schattingen van de reële waarde zijn, gewoonlijk afhangt van het resultaat van toekomstige omstandigheden, transacties of gebeurtenissen, is het werk van de accountant overeenkomstig Standaard 560 bijzonder relevant.

Overwegingen die specifiek voor kleinere entiteiten gelden

A67

Als er een langere periode bestaat tussen de balansdatum en de datum van de controleverklaring kan de beoordeling door de accountant van de gebeurtenissen in deze periode een effectieve manier van inspelen zijn op schattingen die geen schattingen van de reële waarde zijn. Dit kan met name het geval zijn bij bepaalde kleinere entiteiten waarvan de bestuurder tevens eigenaar is, vooral als het management geen interne beheersingsmaatregelen met betrekking tot schattingen heeft geformaliseerd.

Het toetsen van de wijze waarop het management een schatting heeft gemaakt

(Zie Par. 13(b))

A68

Het toetsen van de wijze waarop het management een schatting heeft gemaakt en van de gegevens waarop deze is gebaseerd kan een passende manier van inspelen zijn als de schatting een schatting van de reële waarde is die voortkomt uit een model waarin zowel waarneembare als niet-waarneembare inputs worden gebruikt. Het kan ook een passende methode van inspelen zijn als bijvoorbeeld:

  • de schatting voortkomt uit de routinematige verwerking van gegevens door het administratieve systeem van de entiteit;

  • de beoordeling door de accountant van soortgelijke schattingen in de financiële overzichten van een voorgaande verslagperiode erop wijst dat het door het management in de huidige periode gehanteerde proces waarschijnlijk effectief is;

  • de schatting gebaseerd is op een groot aantal soortgelijke elementen die afzonderlijk niet significant zijn.

A69

Het toetsen van de wijze waarop het management de schatting heeft gemaakt, kan bijvoorbeeld het volgende inhouden:

  • het toetsen in hoeverre de gegevens waarop de schatting is gebaseerd, nauwkeurig, volledig en relevant zijn, en of de schatting naar behoren is vastgesteld met gebruikmaking van deze gegevens en van de veronderstellingen van het management;

  • het overwegen van de bron, relevantie en betrouwbaarheid van externe gegevens of informatie, met inbegrip van gegevens en informatie die zijn verkregen van externe deskundigen die door het management zijn ingeschakeld om te helpen bij het maken van een schatting;

  • het herberekenen van de schatting, alsmede het beoordelen van de interne consistentie van informatie over een schatting;

  • het overwegen van de beoordelings- en goedkeuringsprocessen van het management.

Overwegingen die specifiek voor kleinere entiteiten gelden

A70

In kleinere entiteiten is het proces voor het maken van schattingen doorgaans minder gestructureerd dan in grotere entiteiten. Kleinere entiteiten met een actieve betrokkenheid van het management beschikken mogelijk niet over uitgebreide beschrijvingen van administratieve-verwerkingsprocedures, een geavanceerde administratie of schriftelijke beleidslijnen. Zelfs als de entiteit geen formele vastgestelde procedure heeft, betekent dit niet dat het management niet in staat is een basis te verschaffen op grond waarvan de accountant de schatting kan toetsen.

Het evalueren van de waarderingsmethode

(Zie Par. 13(b)(i))

A71

Als het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving de waarderingsmethode niet voorschrijft, is het evalueren of de gehanteerde methode, met inbegrip van het eventueel gehanteerde model, in de gegeven omstandigheden passend is een kwestie van professionele oordeelsvorming.

A72

In dit kader kan de accountant bijvoorbeeld de volgende gelegenheden in aanmerking nemen:

  • de beweegreden van het management voor de gekozen methode is redelijk;

  • het management heeft de eventueel in het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving opgenomen criteria ter ondersteuning van de gekozen methode voldoende geëvalueerd en op passende wijze toegepast;

  • de methode in de gegeven omstandigheden is passend gelet op de aard van het geschatte actief of de geschatte verplichting en de vereisten van het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving die op schattingen betrekking hebben;

  • de methode is passend voor de bedrijfstak, sector en omgeving waarin de entiteit actief is.

A73

In bepaalde gevallen kan het management hebben vastgesteld dat verschillende methoden leiden tot een aantal significant verschillende schattingen. In die gevallen kan het verwerven van inzicht in de wijze waarop de entiteit onderzoek heeft gedaan naar de oorzaken van deze verschillen, de accountant helpen bij het evalueren van de geschiktheid van de gekozen methode.

Het evalueren van het gebruik van modellen

A74

In bepaalde gevallen, met name bij het schatten van de reële waarde, kan het management gebruikmaken van een model. Of het gehanteerde model in de gegeven omstandigheden passend is, kan afhangen van een aantal factoren, zoals de aard van de entiteit en haar omgeving, met inbegrip van de sector waarin zij actief is, alsmede van het specifieke actief dat of de specifieke verplichting die wordt gewaardeerd.

A75

De mate waarin de volgende overwegingen relevant zijn, is afhankelijk van de omstandigheden, met inbegrip van de vraag of het model er een is dat commercieel beschikbaar is voor gebruik in een bepaalde sector of bedrijfstak, dan wel een eigendomsrechtelijk beschermd model is. In bepaalde gevallen kan de entiteit een beroep doen op een deskundige om een model te ontwikkelen en te toetsen.

A76

Afhankelijk van de omstandigheden kan de accountant bij het toetsen van het model bijvoorbeeld ook overwegen of:

  • het model vóór gebruik wordt gevalideerd, met periodieke beoordelingen om zeker te zijn dat het nog steeds geschikt is voor het beoogde gebruik. Het validatieproces van de entiteit kan een evaluatie inhouden van:

    • de theoretische deugdelijkheid en mathematische integriteit van het model, met inbegrip van de geschiktheid van de parameters van het model;

    • de consistentie en de volledigheid van de inputs van het model met de marktpraktijken;

    • de output van het model in vergelijking met feitelijke transacties.

  • er passende beleidslijnen en procedures voor de beheersing van wijzigingen bestaan;

  • het model periodiek wordt gekalibreerd en op validiteit wordt getoetst, in het bijzonder als de inputs subjectief zijn;

  • aanpassingen worden aangebracht in de output van het model en, in het geval van schattingen van de reële waarde, of die aanpassingen de veronderstellingen weerspiegelen die marktpartijen in soortgelijke omstandigheden zouden hanteren;

  • het model adequaat is gedocumenteerd, met inbegrip van de beoogde toepassingen en beperkingen van het model alsmede zijn belangrijkste parameters, vereiste inputs en resultaten van eventueel uitgevoerde validatieanalyses.

Door het management gehanteerde veronderstellingen

(Zie Par. 13(b)(ii))

A77

De evaluatie door de accountant van de door het management gehanteerde veronderstellingen is slechts gebaseerd op informatie die voor de accountant beschikbaar is op het moment van de controle. Controlewerkzaamheden met betrekking tot veronderstellingen van het management worden uitgevoerd in het kader van de controle van de financiële overzichten van de entiteit en niet met het doel een oordeel te geven over de veronderstellingen zelf.

A78

Bij het evalueren van de redelijkheid van de door het management gehanteerde veronderstellingen kan de accountant bijvoorbeeld overwegen:

  • of afzonderlijke veronderstellingen redelijk lijken;

  • of de veronderstellingen onderling afhankelijk en intern consistent zijn;

  • of de veronderstellingen redelijk lijken als ze collectief of in samenhang met andere veronderstellingen worden beschouwd, hetzij voor de betreffende schatting hetzij voor andere schattingen;

  • of, in het geval van schattingen van de reële waarde, de veronderstellingen de waarneembare veronderstellingen in de markt op passende wijze weerspiegelen.

A79

De veronderstellingen waarop schattingen worden gebaseerd, kunnen het door het management verwachte resultaat van specifieke doelstellingen en strategieën weerspiegelen. In dergelijke gevallen kan de accountant controlewerkzaamheden uitvoeren om de redelijkheid van dergelijke veronderstellingen te evalueren door bijvoorbeeld te overwegen of de veronderstellingen consistent zijn met:

  • de algemene economische omgeving en de economische omstandigheden van de entiteit;

  • de plannen van de entiteit;

  • veronderstellingen die in voorgaande verslagperioden zijn gemaakt, indien relevant;

  • de ervaring van de entiteit of eerdere situaties waarmee de entiteit is geconfronteerd, voor zover deze informatie uit het verleden representatief kan worden geacht voor toekomstige situaties of gebeurtenissen;

  • andere door het management gehanteerde veronderstellingen met betrekking tot de financiële overzichten.

A80

De redelijkheid van de gehanteerde veronderstellingen kan afhankelijk zijn van het voornemen en mogelijkheid van het management om bepaalde handelingen uit te voeren. Het management documenteert vaak plannen en intenties met betrekking tot bepaalde activa of verplichtingen, en het is mogelijk dat het stelsel inzake financiële verslaggeving dit van het management vereist. Hoewel de omvang van de te verkrijgen controle-informatie over het voornemen en de mogelijkheid van het management een kwestie van professionele oordeelsvorming is, kunnen de werkzaamheden van de accountant het volgende inhouden:

  • een beoordeling van de uitvoering door het management van zijn in het verleden uitgesproken intenties;

  • een beoordeling van schriftelijke plannen en andere documentatie, met inbegrip van, indien van toepassing, formeel goedgekeurde budgetten, autorisaties of notulen;

  • een verzoek om inlichtingen bij het management omtrent zijn redenen voor een bepaalde handeling;

  • een evaluatie van gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan tussen de datum van de financiële overzichten en de datum van de controleverklaring;

  • een evaluatie van de mogelijkheid van de entiteit om een bepaalde handeling uit te voeren gegeven de economische omstandigheden van de entiteit, met inbegrip van de implicaties van haar bestaande verbintenissen.

Het is echter mogelijk dat bepaalde stelsels inzake financiële verslaggeving niet toestaan dat bij het maken van schattingen rekening wordt gehouden met intenties of plannen van het management. Dit is vaak het geval bij schattingen van de reële waarde omdat de waarderingsdoelstelling vereist dat veronderstellingen de door marktpartijen gehanteerde veronderstellingen weerspiegelen.

A81

Naast de hierboven genoemde punten, indien van toepassing, kan de accountant bij het evalueren van de redelijkheid van door het management gehanteerde veronderstellingen die ten grondslag liggen aan schattingen van de reële waarde bijvoorbeeld ook rekening houden met de volgende punten:

  • indien relevant, of en, zo ja, hoe het management marktspecifieke inputs heeft opgenomen in de ontwikkeling van veronderstellingen;

  • of de veronderstellingen consistent zijn met waarneembare marktomstandigheden en met de kenmerken van het actief dat of de verplichting die tegen reële waarde wordt gewaardeerd;

  • of de bronnen van veronderstellingen van marktpartijen relevant en betrouwbaar zijn, alsmede hoe het management de te hanteren veronderstellingen heeft gekozen als er verschillende veronderstellingen van marktpartijen bestaan;

  • indien passend, of en, zo ja, op welke wijze het management rekening heeft gehouden met gehanteerde veronderstellingen in, of informatie over, vergelijkbare transacties, activa of verplichtingen.

A82

Verder kunnen schattingen van de reële waarde zowel waarneembare als niet-waarneembare inputs omvatten. Als schattingen van de reële waarde op niet-waarneembare inputs zijn gebaseerd, kan de accountant bijvoorbeeld overwegen hoe het management de volgende zaken onderbouwt:

  • de vaststelling van de kenmerken van voor de schatting relevante marktpartijen;

  • aanpassingen die het management in zijn eigen veronderstellingen heeft aangebracht om zijn visie weer te geven op veronderstellingen die marktpartijen zouden hanteren;

  • of het management de beste informatie die in de gegeven omstandigheden beschikbaar is, heeft verwerkt;

  • indien van toepassing, de wijze waarop de veronderstellingen van het management rekening houden met vergelijkbare transacties, activa of verplichtingen.

Als er niet-waarneembare inputs zijn, is het waarschijnlijker dat de evaluatie door de accountant van de veronderstellingen moet worden gecombineerd met andere manieren van inspelen op de conform paragraaf 13 ingeschatte risico’s teneinde voldoende en geschikte controle-informatie te verkrijgen. In dergelijke gevallen kan het noodzakelijk zijn dat de accountant andere controlewerkzaamheden uitvoert, bijvoorbeeld het onderzoeken van documentatie ter onderbouwing van de beoordeling en goedkeuring van de schatting door de passende managementniveaus en, in voorkomend geval, de met governance belaste personen.

A83

Bij het evalueren van de redelijkheid van de veronderstellingen ter onderbouwing van een schatting kan de accountant een of meer significante veronderstellingen vaststellen. Dit kan erop wijzen dat de schatting een hoge mate van schattingsonzekerheid heeft en derhalve aanleiding kan geven tot een significant risico. Aanvullende manieren om op significante risico’s in te spelen worden in de paragrafen A102 tot A115 beschreven.

Het toetsen van de effectieve werking van interne beheersingsmaatregelen

(Zie Par. 13(c))

A84

Het toetsen van de effectieve werking van de interne beheersingsmaatregelen met betrekking tot de wijze waarop het management de schatting heeft gemaakt, kan een passende manier van inspelen zijn als het proces van het management goed is opgezet, geïmplementeerd en onderhouden, bijvoorbeeld:

  • er bestaan interne beheersingsmaatregelen voor de beoordeling en goedkeuring van schattingen door de passende managementniveaus en, in voorkomend geval, de met governance belaste personen;

  • de schatting komt voort uit de routinematige verwerking van gegevens door het administratieve systeem van de entiteit;

A85

Het toetsen van de effectieve werking van interne beheersingsmaatregelen is vereist als:

  1. de inschatting door de accountant van de risico’s op een afwijking van materieel belang op het niveau van beweringen de verwachting inhoudt dat de interne beheersingsmaatregelen met betrekking tot het proces effectief werken; of

  2. gegevensgerichte controles op zich niet voldoende en geschikte controle-informatie op het niveau van beweringen verschaffen. Standaard 330, paragraaf 8.

Overwegingen die specifiek voor kleinere entiteiten gelden

A86

Het is mogelijk dat in kleinere entiteiten interne beheersingsmaatregelen met betrekking tot het schattingsproces bestaan, maar de wijze waarop ze werken verschilt. Verder kunnen kleinere entiteiten bepalen dat bepaalde soorten interne beheersingsmaatregelen niet nodig zijn omdat het management actief betrokken is bij het proces van financiële verslaggeving. In het geval van zeer kleine entiteiten is het echter mogelijk dat de accountant niet veel interne beheersingsmaatregelen kan vaststellen. Daarom zal de manier waarmee de accountant op de ingeschatte risico’s inspeelt waarschijnlijk gegevensgericht zijn, waarbij de accountant een of meer van de andere in paragraaf 13 genoemde werkzaamheden uitvoert.

Het ontwikkelen van een puntschatting of interval

(Zie Par. 13(d))

A87

Het ontwikkelen van een puntschatting of interval voor het evalueren van een puntschatting door het management kan een passende manier van inspelen zijn als bijvoorbeeld:

  • een schatting niet voortkomt uit de routinematige verwerking van gegevens door het administratieve systeem;

  • de beoordeling door de accountant van soortgelijke schattingen in de financiële overzichten van een voorgaande verslagperiode erop wijst dat het onwaarschijnlijk is dat het proces van het management in de huidige verslagperiode effectief zal zijn;

  • de interne beheersingsmaatregelen van de entiteit binnen en met betrekking tot de processen van het management voor het vaststellen van schattingen niet goed zijn opgezet of niet naar behoren zijn geïmplementeerd;

  • gebeurtenissen of transacties tussen de einddatum van de verslagperiode en de datum van de controleverklaring in tegenspraak zijn met de puntschatting door het management;

  • alternatieve bronnen van relevante gegevens beschikbaar zijn voor de accountant die voor het bepalen van een puntschatting of interval kunnen worden gebruikt.

A88

Zelfs als de interne beheersingsmaatregelen van de entiteit goed zijn opgezet en naar behoren zijn geïmplementeerd, kan het ontwikkelen van een puntschatting of interval een effectieve of efficiënte manier zijn om op de ingeschatte risico’s in te spelen. In andere situaties kan de accountant deze benadering overwegen als onderdeel van het bepalen of verdere werkzaamheden nodig zijn en, zo ja, de aard en omvang daarvan.

A89

De door de accountant gekozen benadering voor het ontwikkelen van een puntschatting of interval kan verschillen op basis van wat in de gegeven omstandigheden het meest effectief wordt geacht. De accountant kan bijvoorbeeld in eerste instantie een voorlopige puntschatting ontwikkelen, en vervolgens de gevoeligheid van die schatting voor veranderingen in veronderstellingen inschatten om een interval vast te stellen waarmee de puntschatting van het management wordt geëvalueerd. Als alternatief kan de accountant beginnen met het ontwikkelen van een interval teneinde, indien mogelijk, een puntschatting te bepalen.

A90

De mogelijkheid van de accountant om een puntschatting te ontwikkelen, in tegenstelling tot een interval, hangt af van verschillende factoren, met inbegrip van het gehanteerde model, de aard en de omvang van de beschikbare gegevens en de schattingsonzekerheid die met het maken van de schatting samenhangt. Verder kan de beslissing om een puntschatting of interval te ontwikkelen worden beïnvloed door het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving, dat mogelijk voorschrijft welke puntschatting na beschouwing van de alternatieve resultaten en veronderstellingen moet worden gehanteerd, of welke specifieke waarderingsmethode moet worden gehanteerd (bijvoorbeeld het gebruik van een verdisconteerde kansgewogen verwachte waarde).

A91

De accountant kan een puntschatting of interval op verschillende manieren ontwikkelen, bijvoorbeeld door:

  • een model te gebruiken, bijvoorbeeld een model dat commercieel beschikbaar is voor gebruik in een bepaalde sector of bedrijfstak, dan wel een eigendomsrechtelijk beschermd of door de accountant ontwikkeld model;

  • de overweging door het management van alternatieve veronderstellingen of resultaten verder te ontwikkelen, bijvoorbeeld door andere veronderstellingen te introduceren;

  • een persoon met gespecialiseerde deskundigheid in dienst te nemen of in te schakelen om het model te ontwikkelen of uit te voeren, of om relevante veronderstellingen te verschaffen;

  • te refereren aan andere vergelijkbare situaties, transacties of gebeurtenissen dan wel, indien relevant, aan markten voor vergelijkbare activa of verplichtingen.

Inzicht verkrijgen in de veronderstellingen of methode van het management

(Zie Par. 13(d)(i))

A92

Als de accountant een puntschatting of interval maakt en gebruikmaakt van veronderstellingen of een methode verschillend van die welke door het management worden (wordt) gebruikt, vereist paragraaf 13(d)(i)) dat de accountant voldoende inzicht verkrijgt in de door het management gehanteerde veronderstellingen of methode bij het maken van de schatting. Dit inzicht verschaft de accountant informatie die relevant kan zijn voor zijn ontwikkeling van een passende puntschatting of een passend interval. Verder helpt dit de accountant om eventuele significante verschillen ten opzichte van de puntschatting van het management te begrijpen en evalueren. Er kan bijvoorbeeld een verschil ontstaan omdat de accountant andere maar even geldige veronderstellingen hanteerde in vergelijking met de door het management gehanteerde veronderstellingen. Dit kan aantonen dat de schatting in hoge mate gevoelig is voor bepaalde veronderstellingen en derhalve onderhevig is aan een hoge schattingsonzekerheid, wat erop wijst dat de schatting een significant risico kan vormen. Aan de andere kant kan er een verschil ontstaan als gevolg van een feitelijke fout die door het management is gemaakt. Afhankelijk van de omstandigheden kan de accountant het bij het trekken van conclusies nuttig achten om met het management van gedachten te wisselen over de basis van de gehanteerde veronderstellingen en de validiteit daarvan, alsmede over het eventuele verschil in de benadering die bij het maken van de schatting is gevolgd.

Verkleinen van een interval

(Zie Par. 13(d)(ii))

A93

Als de accountant concludeert dat het passend is een interval te hanteren om de redelijkheid van de puntschatting van het management te evalueren (het door de accountant gehanteerde interval), vereist paragraaf 13(d)(ii) dat het genoemde interval alle ‘redelijke uitkomsten’ omvat, in plaats van alle mogelijke uitkomsten. Het interval kan niet alle mogelijke uitkomsten omvatten wil het bruikbaar zijn, omdat het anders te groot is om effectief te zijn voor de doeleinden van de controle. Het door de accountant gehanteerde interval is bruikbaar en effectief als het klein genoeg is om hem in staat te stellen te concluderen of de schatting een afwijking bevat.

A94

Een interval dat dusdanig is verkleind dat het gelijk is aan of kleiner is dan het niveau van uitvoeringsmaterialiteit, is gewoonlijk adequaat voor het evalueren van de redelijkheid van de puntschatting van het management. Met name in bepaalde sectoren kan een dergelijke verkleining echter onmogelijk zijn. Dit sluit niet noodzakelijkerwijs de opname van de schatting uit. Het kan er echter op wijzen dat de met de schatting verbonden schattingsonzekerheid zodanig is dat deze een significant risico doet ontstaan. Aanvullende manieren om op significante risico’s in te spelen worden in de paragrafen A102 tot A115 beschreven.

A95

Het interval kan zodanig worden verkleind dat alle schattingsresultaten binnen het interval als redelijk worden beschouwd door:

  1. de schattingsresultaten aan de uiteinden van het interval die de accountant onwaarschijnlijk acht uit het interval te verwijderen; en

  2. het interval op basis van de beschikbare controle-informatie verder te verkleinen tot de accountant tot de conclusie komt dat alle resultaten binnen het interval redelijk lijken. In bepaalde zeldzame gevallen kan de accountant in staat zijn het interval zodanig te verkleinen dat de controle-informatie een puntschatting oplevert.

Overwegen of specialistische vaardigheden en kennis vereist zijn

(Zie Par. 14)

A96

Bij het plannen van de controle wordt van de accountant vereist dat hij de aard, timing en omvang vaststelt van de middelen die nodig zijn om de controleopdracht uit te voerenStandaard 300, Planning van een controle van financiële overzichten, paragraaf 8(e).. Dit kan zo nodig de betrokkenheid inhouden van personen met specialistische vaardigheden of kennis. Bovendien vereist Standaard 220 dat de opdrachtpartner ervan overtuigd is dat het opdrachtteam en de eventuele door de accountant aangestelde externe deskundigen die geen deel uitmaken van het opdrachtteam, samen beschikken over de passende competenties en bekwaamheden om de controleopdracht uit te voerenStandaard 220, Kwaliteitsbeheersing voor een controle van financiële overzichten, paragraaf 14.. Tijdens de controle van schattingen kan de accountant in het licht van zijn ervaring en de omstandigheden van de opdracht tot de vaststelling komen dat een of meer aspecten van de schattingen specialistische vaardigheden en kennis vereisen.

A97

De overweging door de accountant of specialistische vaardigheden en kennis vereist zijn, kan bijvoorbeeld worden beïnvloed door:

  • de aard van het onderliggende actief, de onderliggende verplichting of de onderliggende eigen-vermogen-component in een specifieke sector of bedrijfstak (bijvoorbeeld delfstoffenlagen, agrarische activa, complexe financiële instrumenten);

  • een hoge mate van schattingsonzekerheid;

  • complexe berekeningen of gespecialiseerde modellen die worden toegepast, bijvoorbeeld bij het schatten van de reële waarde als er geen waarneembare markt bestaat;

  • de complexiteit van de vereisten van het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving met betrekking tot schattingen, met inbegrip van de vraag of er gebieden zijn waarvan bekend is dat ze onderhevig zijn aan verschillende interpretaties of waar de praktische uitwerking inconsistent of in ontwikkeling is;

  • de werkzaamheden die de accountant voornemens is uit te voeren om op ingeschatte risico’s in te spelen.

A98

Voor het grootste deel van de schattingen, zelfs als er schattingsonzekerheid bestaat, is het onwaarschijnlijk dat specialistische vaardigheden of kennis vereist zijn. Het is bijvoorbeeld niet waarschijnlijk dat specialistische vaardigheden of kennis noodzakelijk zijn voor een accountant om een voorziening voor dubieuze vorderingen te evalueren.

A99

De accountant bezit mogelijk niet de vereiste specialistische vaardigheden of kennis als de aangelegenheid betrekking heeft op een ander gebied dan administratieve verwerking of controle en kan genoodzaakt zijn hiervoor een beroep te doen op een deskundige. Standaard 620Standaard 620, Gebruikmaken van de werkzaamheden van een door de accountant ingeschakelde deskundige. stelt vereisten vast en verschaft leidraden voor het bepalen van de noodzaak om een deskundige in dienst te nemen of in te schakelen en voor het bepalen van de verantwoordelijkheden van de accountant als hij gebruik maakt van de werkzaamheden van een deskundige.

A100

Verder kan de accountant in bepaalde gevallen besluiten dat het noodzakelijk is specialistische vaardigheden of kennis te verkrijgen met betrekking tot specifieke gebieden van administratieververwerking of controle. Personen met dergelijke vaardigheden of kennis kunnen door de eenheid van de accountant in dienst worden genomen of kunnen worden ingeschakeld vanuit een externe organisatie die geen deel uitmaakt van de eenheid van de accountant. Als dergelijke personen in het kader van de opdracht controlewerkzaamheden uitvoeren, maken zij deel uit van het opdrachtteam en zijn ze derhalve onderworpen aan de vereisten van Standaard 220.

A101

Afhankelijk van het inzicht van de accountant en zijn werkervaring met de door hem ingeschakelde deskundige of de andere personen met specialistische vaardigheden of kennis kan de accountant het passend achten om aangelegenheden zoals de vereisten van het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving met de betrokken personen te bespreken om ervoor te zorgen dat hun werkzaamheden relevant zijn voor de doeleinden van de controle.

Verdere gegevensgerichte controles om op significante risico’s in te spelen

(Zie Par. 15)

A102

Bij het controleren van schattingen die aanleiding geven tot significante risico’s zijn verdere gegevensgerichte controles van de accountant gericht op het evalueren van:

  1. de wijze waarop het management het effect van de schattingsonzekerheid die met de schatting samenhangt alsmede het effect dat deze onzekerheid kan hebben op de geschiktheid van de opname van de schatting in de financiële overzichten, heeft ingeschat; en

  2. de adequaatheid van de daarmee verband houdende toelichtingen.

Schattingsonzekerheid

Overwegen door het management van de schattingsonzekerheid

(Zie Par. 15(a))

A103

Het management kan alternatieve veronderstellingen of resultaten van de schattingen evalueren door middel van een aantal methoden, afhankelijk van de omstandigheden. Een van de door het management gehanteerde mogelijke methoden is het uitvoeren van een gevoeligheidsanalyse. Dit zou kunnen inhouden dat wordt nagegaan op welke wijze het bedrag van een schatting varieert met verschillende veronderstellingen. Zelfs bij tegen reële waarde gewaardeerde schattingen kan er een variatie zijn omdat verschillende marktpartijen verschillende veronderstellingen zullen hanteren. Een gevoeligheidsanalyse zou kunnen leiden tot de ontwikkeling van een aantal mogelijke resultaten, die soms door het management worden gekenmerkt als een interval van resultaten, zoals ‘pessimistische’ en ‘optimistische’ scenario’s.

A104

Een gevoeligheidsanalyse kan aantonen dat een schatting niet gevoelig is voor veranderingen in bepaalde veronderstellingen. Anderzijds kan een gevoeligheidsanalyse aantonen dat de schatting gevoelig is voor een of meer veronderstellingen, waarop de accountant zich vervolgens concentreert.

A105

Dit heeft niet de bedoeling te suggereren dat een bepaalde methode om met schattingsonzekerheid om te gaan (zoals een gevoeligheidsanalyse) geschikter is dan een andere methode, of dat het overwegen door het management van alternatieve veronderstellingen of resultaten moet worden uitgevoerd door middel van een gedetailleerd proces dat door uitgebreide documentatie wordt onderbouwd. In plaats daarvan is het belangrijk of het management heeft ingeschat hoe schattingsonzekerheid van invloed kan zijn op de schatting, niet de specifieke manier waarop dit is gebeurd. Als het management geen alternatieve veronderstellingen of resultaten heeft overwogen, kan het derhalve voor de accountant noodzakelijk zijn om met het management te praten over, en onderbouwing te vragen voor, de wijze waarop het management is omgegaan met de effecten van de schattingsonzekerheid die met de schatting samenhangt.

Overwegingen die specifiek voor kleinere entiteiten gelden

A106

Het is mogelijk dat kleinere entiteiten gebruikmaken van eenvoudige middelen om de schattingsonzekerheid in te schatten. In aanvulling op de beoordeling door de accountant van de beschikbare documentatie kan hij andere controle-informatie verkrijgen omtrent de overweging door het management van alternatieve veronderstellingen of resultaten door bij het management om inlichtingen te verzoeken. Daarnaast bezit het management mogelijk niet de deskundigheid om alternatieve resultaten te overwegen of om anderszins om te gaan met de schattingsonzekerheid die met de schatting samenhangt. In dergelijke gevallen kan de accountant aan het management uitleg geven over het proces, de verschillende daarvoor beschikbare methoden en de documentatie daarvan. Dit zou echter niets veranderen aan de verantwoordelijkheden van het management voor het opstellen van de financiële overzichten.

Significante veronderstellingen

(Zie Par. 15(b))

A107

Een bij het maken van een schatting gehanteerde veronderstelling kan significant worden geacht als een redelijke variatie in de veronderstelling een van materieel belang zijnde invloed zou kunnen hebben op de waardering van de schatting.

A108

Significante veronderstellingen die gebaseerd zijn op de kennis van het management kunnen worden onderbouwd vanuit de doorlopende processen van het management voor strategische analyse en risicomanagement. Zelfs zonder formeel vastgestelde processen, zoals dat het geval kan zijn bij kleinere entiteiten, kan de accountant in staat zijn de veronderstellingen te evalueren door het verzoeken om inlichtingen bij en het houden van besprekingen met het management, naast andere controlewerkzaamheden, teneinde voldoende en geschikte controle-informatie te verkrijgen.

A109

De overwegingen van de accountant bij het evalueren van door het management gemaakte veronderstellingen zijn beschreven in de paragrafen A77 tot A83.

Het voornemen en de mogelijkheid van het management

(Zie Par. 15(c))

A110

De overwegingen van de accountant met betrekking tot door het management gemaakte veronderstellingen, alsmede het voornemen en de mogelijkheid van het management zijn beschreven in de paragrafen A13 en A80.

Het ontwikkelen van een interval

(Zie Par. 16)

A111

Bij het opstellen van de financiële overzichten kan het management zich ervan hebben vergewist dat het op adequate wijze is omgegaan met de effecten van schattingsonzekerheid die samenhangt met de schattingen die aanleiding geven tot significante risico’s. In bepaalde omstandigheden is het echter mogelijk dat de accountant de inspanningen van het management als inadequaat beschouwt. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als op grond van de oordeelsvorming van de accountant:

  • geen voldoende en geschikte controle-informatie kon worden verkregen via de evaluatie door de accountant van de wijze waarop het management met de effecten van schattingsonzekerheid is omgegaan;

  • het noodzakelijk is verder onderzoek te verrichten naar de mate van schattingsonzekerheid die met een schatting samenhangt, bijvoorbeeld als de accountant kennis heeft van een ruime variatie in resultaten voor soortgelijke schattingen in soortgelijke omstandigheden;

  • het onwaarschijnlijk is dat andere controle-informatie kan worden verkregen, bijvoorbeeld door het beoordelen van gebeurtenissen die zich tot aan de datum van de controleverklaring hebben voorgedaan;

  • er mogelijk indicaties zijn voor tendentie bij het management bij het maken van schattingen.

A112

De punten die de accountant bij het in dit kader bepalen van een interval moet overwegen, zijn beschreven in de paragrafen A87 tot A95.

Criteria voor opname en waardering

Opname van schattingen in de financiële overzichten

(Zie Par. 17(a))

A113

Als het management in de financiële overzichten een schatting heeft opgenomen, moet de evaluatie door de accountant zich toespitsen op de vraag of de waardering van de schatting voldoende betrouwbaar is om aan de opnamecriteria van het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving te voldoen.

A114

In het geval van schattingen die niet zijn opgenomen, moet de evaluatie door de accountant zich toespitsen op de vraag of al dan niet aan de opnamecriteria van het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving is voldaan. Zelfs als een schatting niet is opgenomen en de accountant tot de conclusie komt dat deze verwerkingswijze passend is, kan het nodig zijn de omstandigheden in de toelichtingen op de financiële overzichten uiteen te zetten. Waar van toepassing, kan de accountant ook bepalen dat een schatting met een hoge schattingsonzekerheid een kernpunt van de controle is die moet worden gecommuniceerd overeenkomstig Standaard 701,Standaard 701, Communicatie van kernpunten van de controle in de controleverklaring van de onafhankelijke accountant. of kan hij het noodzakelijk achten een paragraaf ter benadrukking van bepaalde aangelegenheden op te nemen in de controleverklaring (zie Standaard 706Standaard 706, Paragrafen ter benadrukking van bepaalde aangelegenheden en paragrafen inzake overige aangelegenheden in de controleverklaring van de onafhankelijke accountant.). Als de aangelegenheid is bepaald als kernpunt van de controle, verbiedt Standaard 706 de accountant om een paragraaf ter benadrukking van bepaalde aangelegenheden op te nemen in de controleverklaring.Standaard 706, paragraaf 8(b).

Waarderingsgrondslag voor de schattingen

(Zie Par. 17(b))

A115

Wat schattingen van de reële waarde betreft, veronderstellen bepaalde stelsels inzake financiële verslaggeving dat de reële waarde betrouwbaar kan worden bepaald als voorwaarde voor het vereisen of toestaan van waarderingen tegen reële waarde en de toelichtingen daarop. In sommige gevallen kan deze veronderstelling worden verworpen als er bijvoorbeeld geen passende waarderingsmethode of -grondslag bestaat. In dergelijke gevallen moet de evaluatie door de accountant zich toespitsen op de vraag of de basis van het management voor het verwerpen van de in het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving uiteengezette veronderstelling met betrekking tot het gebruik van de reële waarde passend is.

Het evalueren van de redelijkheid van schattingen en het vaststellen van afwijkingen

(Zie Par. 18)

A116

Op basis van de verkregen controle-informatie kan de accountant tot de conclusie komen dat de informatie wijst op een schatting die verschilt van de puntschatting van het management. Als de controle-informatie een onderbouwing is voor een puntschatting, vormt het verschil tussen de puntschatting van de accountant en die van het management een afwijking. Als de accountant tot de conclusie is gekomen dat het gebruik van zijn interval voldoende en geschikte controle-informatie verschaft, wordt een puntschatting van het management die buiten dat interval ligt, niet door controle-informatie onderbouwd. In dergelijke gevallen is de afwijking niet kleiner dan het verschil tussen de puntschatting van het management en het dichtstbijzijnde punt van het door de accountant gehanteerde interval.

A117

Als het management een schatting, of de methode om die schatting te maken, ten opzichte van de voorgaande verslagperiode heeft gewijzigd op basis van een subjectieve inschatting dat de omstandigheden zijn veranderd, kan de accountant op basis van de controle-informatie tot de conclusie komen dat de schatting een afwijking bevat als gevolg van een arbitraire wijziging door het management, of kan hij dit beschouwen als een indicatie voor mogelijke tendentie bij het management (zie de paragrafen A124 en A125).

A118

Standaard 450Standaard 450, Evaluatie van tijdens de controle geïdentificeerde afwijkingen. verschaft leidraden voor het onderscheiden van afwijkingen in het kader van de evaluatie door de accountant van het effect van niet-gecorrigeerde afwijkingen op de financiële overzichten. Wat schattingen betreft, kan een afwijking veroorzaakt door fraude of een fout ontstaan als gevolg van:

  • afwijkingen waarover geen twijfel bestaat (feitelijke afwijkingen);

  • verschillen die ontstaan uit oordeelsvormingen van het management met betrekking tot schattingen die de accountant als onredelijk beschouwt, dan wel door de keuze of toepassing van grondslagen voor financiële verslaggeving die de accountant als niet-passend beschouwt (afwijkingen als gevolg van beoordelingen);

  • de beste schatting door de accountant van afwijkingen in populaties waarbij in controlesteekproeven geïdentificeerde afwijkingen worden geprojecteerd op het geheel van de populaties waaruit de steekproeven zijn getrokken (geprojecteerde afwijkingen).

In bepaalde gevallen met betrekking tot schattingen kan een afwijking ontstaan als gevolg van een combinatie van deze omstandigheden, waardoor afzonderlijke detectie moeilijk of onmogelijk is.

A119

Het evalueren van de redelijkheid van schattingen en de daarmee verband houdende informatie die in de toelichtingen op de financiële overzichten is opgenomen, ongeacht of deze informatie vrijwillig is verstrekt dan wel op grond van het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving moest worden verstrekt, brengt in essentie dezelfde soorten overwegingen met zich mee als die welke worden toegepast bij het controleren van een in de financiële overzichten opgenomen schatting.

Toelichtingen met betrekking tot schattingen

Toelichtingen in overeenstemming met het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving

(Zie Par. 19)

A120

De presentatie van de financiële overzichten in overeenstemming met het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving omvat adequate toelichting van aangelegenheden die van materieel belang zijn. Het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving kan toestaan of voorschrijven dat toelichtingen met betrekking tot schattingen wordt verstrekt, en sommige entiteiten verstrekken vrijwillig aanvullende informatie in de toelichtingen op de financiële overzichten. Deze toelichtingen kunnen bijvoorbeeld omvatten:

  • de gehanteerde veronderstellingen;

  • de gehanteerde schattingsmethode, met inbegrip van elk toegepast model;

  • de basis voor de keuze van de schattingsmethode;

  • het effect van eventuele wijzigingen in de schattingsmethode ten opzichte van de voorgaande verslagperiode;

  • de bronnen en implicaties van schattingsonzekerheid.

Dergelijke toelichtingen zijn voor gebruikers relevant om de in de financiële overzichten opgenomen of vermelde schattingen te begrijpen, en er moet voldoende en geschikte controle-informatie worden verkregen over de vraag of de toelichtingen in overeenstemming zijn met de vereisten van het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving.

A121

In bepaalde gevallen kan het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving vereisen dat specifieke toelichtingen worden verstrekt met betrekking tot onzekerheden. Sommige stelsels inzake financiële verslaggeving schrijven bijvoorbeeld voor dat:

  • toelichting wordt verstrekt over belangrijke veronderstellingen en andere bronnen van schattingsonzekerheid die een significant risico inhouden dat ze een van materieel belang zijnde aanpassing aan de boekwaarde van activa of verplichtingen veroorzaken. Dergelijke vereisten kunnen worden beschreven in bewoordingen als ‘belangrijke oorzaken van schattingsonzekerheid’ of ‘kritische schattingen’;

  • toelichting wordt verstrekt over het interval van mogelijke resultaten en over de veronderstellingen die bij het bepalen van het interval zijn gehanteerd;

  • toelichting wordt verstrekt over de significantie van schattingen van de reële waarde voor de financiële positie en prestaties van de entiteit;

  • kwalitatieve toelichtingen worden verstrekt, zoals de blootstelling aan risico en de wijze waarop die blootstelling ontstaat, de doelstellingen, beleidslijnen en procedures van de entiteit om dit risico te managen, en de methoden die zijn gebruikt om het risico en eventuele veranderingen van deze kwalitatieve begrippen ten opzichte van de voorgaande verslagperiode te waarderen;

  • kwantitatieve toelichtingen worden verstrekt, zoals de mate waarin de entiteit is blootgesteld aan risico, op basis van informatie die intern is verstrekt aan managers van de entiteit op sleutelposities, met inbegrip van het kredietrisico, liquiditeitsrisico en marktrisico.

Het verstrekken van toelichtingen over schattingsonzekerheid in verband met schattingen die aanleiding geven tot significante risico’s

(Zie Par. 20)

A122

Met betrekking tot schattingen waaraan een significant risico is verbonden kan de accountant, zelfs als de verstrekte toelichtingen in overeenstemming zijn met het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving, tot de conclusie komen dat de toelichting van schattingsonzekerheid inadequaat is in het licht van de omstandigheden en de betrokken feiten. De evaluatie door de accountant van de adequaatheid van de toelichting van schattingsonzekerheid wordt belangrijker naarmate het interval van mogelijke resultaten van de schatting groter wordt in verhouding tot de materialiteit (zie de daarmee verband houdende bespreking in paragraaf A94).

A123

In bepaalde gevallen kan de accountant het passend achten het management aan te sporen om in de toelichtingen op de financiële overzichten een beschrijving te geven van de omstandigheden met betrekking tot de schattingsonzekerheid. Standaard 705 Standaard 705, Aanpassingen van het oordeel in de controleverklaring van de onafhankelijke accountant. verschaft leidraden inzake de implicaties voor het oordeel van de accountant als de accountant van mening is dat de toelichting van schattingsonzekerheid die het management in de financiële overzichten heeft verstrekt inadequaat of misleidend is.

Indicaties voor mogelijke tendentie bij het management

(Zie Par. 21)

A124

Het is mogelijk dat de accountant tijdens de controle zich bewust wordt van oordeelsvormingen en beslissingen door het management die aanleiding geven tot indicaties voor mogelijke tendentie bij het management. Dergelijke indicaties kunnen van invloed zijn op de conclusie van de accountant over de vraag of de risico-inschatting van de accountant en de methode waarmee daarop is ingespeeld nog steeds passend zijn, en mogelijk moet de accountant de implicaties voor de het resterende gedeelte van de controle overwegen. Verder kunnen ze van invloed zijn op de evaluatie door de accountant van de vraag of de financiële overzichten als geheel vrij zijn van een afwijking van materieel belang zoals besproken in Standaard 700 Standaard 700, Het vormen van een oordeel en het rapporteren over financiële overzichten..

A125

Indicaties voor mogelijke tendentie bij het management met betrekking tot schattingen zijn bijvoorbeeld:

  • wijzigingen in een schatting, of in de methode om die schatting te maken, als het management een subjectieve inschatting heeft gemaakt dat zich een verandering in de omstandigheden heeft voorgedaan;

  • het hanteren van eigen veronderstellingen van de entiteit voor het maken van schattingen van de reële waarde als deze inconsistent zijn met waarneembare marktveronderstellingen;

  • het kiezen of opzetten van significante veronderstellingen die leiden tot een puntschatting die gunstig is voor de doelstellingen van het management;

  • het kiezen van een puntschatting die op een patroon van optimisme of pessimisme kan wijzen.

Schriftelijke bevestigingen

(Zie Par. 22)

A126

Standaard 580 Standaard 580, Schriftelijke bevestigingen. behandelt het gebruik van schriftelijke bevestigingen. Afhankelijk van de aard, materialiteit en omvang van de schattingsonzekerheid kunnen schriftelijke bevestigingen omtrent de in de financiële overzichten opgenomen of toegelichte schattingen bevestigingen inhouden:

  • omtrent de geschiktheid van de waarderingsprocessen, met inbegrip van de daarmee verband houdende veronderstellingen en modellen, die door het management zijn gehanteerd bij het bepalen van schattingen in de context van het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving, alsmede omtrent de consistentie in het toepassen van de processen;

  • dat de veronderstellingen een passende weerspiegeling zijn van het voornemen en de mogelijkheid van het management om namens de entiteit bepaalde handelingen uit te voeren, indien relevant voor de schattingen en toelichtingen;

  • dat de toelichtingen met betrekking tot schattingen volledig en geschikt zijn overeenkomstig het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving;

  • dat geen gebeurtenis na de einddatum van de verslagperiode een aanpassing van de in de financiële overzichten opgenomen schattingen en toelichtingen vereist.

A127

Voor niet in de financiële overzichten opgenomen of toegelichte schattingen kunnen schriftelijke bevestigingen ook bevestigingen inhouden omtrent:

  • de passendheid van de basis die het management heeft gehanteerd bij het bepalen dat niet is voldaan aan de criteria voor opname of toelichting van het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving (Zie Par. A114).

  • de passendheid van de door het management gehanteerde basis om de veronderstelling te verwerpen die betrekking heeft op het gebruik van de reële waarde zoals uiteengezet in het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving, voor die schattingen die niet tegen reële waarde zijn gewaardeerd of toegelicht. (Zie Par. A115)

Documentatie

(Zie Par. 23)

A128

Het documenteren van tijdens de controle vastgestelde indicaties voor mogelijke tendentie bij het management helpt de accountant bij het trekken van zijn conclusie over de vraag of zijn risico-inschatting en de manier waarmee daarop is ingespeeld nog steeds passend zijn, alsmede bij het evalueren van de vraag of de financiële overzichten als geheel vrij zijn van afwijkingen van materieel belang. Zie paragraaf A125 voor voorbeelden van indicaties voor mogelijke tendentie bij het management.

Bijlage: Waarderingen tegen reële waarde en toelichtingen overeenkomstig verschillende stelsels inzake financiële verslaggeving

(Zie Par. A1)

Deze bijlage is slechts bedoeld als algemene uiteenzetting van waarderingen tegen reële waarde en toelichtingen van reële waarde overeenkomstig verschillende stelsels inzake financiële verslaggeving teneinde achtergrondinformatie en context te verschaffen.

  1. Verschillende stelsels inzake financiële verslaggeving vereisen of staan toe dat er in de financiële overzichten diverse waarderingen tegen reële waarde en toelichtingen van reële waarde bestaan. Zij verschillen eveneens in de mate van leidraden die ze geven inzake de grondslag voor de waardering van activa en verplichtingen of de daarmee verband houdende toelichtingen. Sommige stelsels inzake financiële verslaggeving geven prescriptieve leidraden, andere geven algemene leidraden, en weer andere geven geen enkele leidraad. Daarnaast bestaan er ook bepaalde sectorspecifieke praktijken voor waardering tegen reële waarde en de toelichting daarop.

  2. Definities van reële waarde kunnen verschillen per stelsel inzake financiële verslaggeving, of voor verschillende activa, verplichtingen of toelichtingen binnen een bepaald stelsel. Zo definieert International Accounting Standard (IAS) 39 IAS 39, ‘Financiële instrumenten: opname en waardering’. het begrip reële waarde als ‘het bedrag waarvoor een actief kan worden verhandeld of een verplichting kan worden afgewikkeld in een zakelijke, objectieve transactie tussen ter zake goed geïnformeerde, tot een transactie bereid zijnde partijen die onafhankelijk zijn’. Het begrip reële waarde veronderstelt gewoonlijk een actuele transactie in plaats van een afwikkeling op een datum in het verleden of in de toekomst. Daarom zou het proces van waardering tegen reële waarde een ‘zoektocht’ zijn naar de geschatte prijs waartegen die transactie zou plaatsvinden. Daarnaast is het mogelijk dat andere stelsels inzake financiële verslaggeving termen gebruiken zoals ‘entiteitsgebonden waarde’, ‘bedrijfswaarde’ of soortgelijke termen die binnen het begrip reële waarde in deze Standaard vallen.

  3. Stelsels inzake financiële verslaggeving kunnen veranderingen in waarderingen tegen reële waarde die zich in de tijd voordoen op verschillende manieren behandelen. Een bepaald stelsel inzake financiële verslaggeving kan bijvoorbeeld vereisen dat veranderingen in waarderingen van bepaalde activa of verplichtingen tegen reële waarde direct in het eigen vermogen worden verwerkt, terwijl dergelijke veranderingen overeenkomstig een ander stelsel in de winst-en-verliesrekening moeten worden verwerkt. In sommige stelsels wordt de bepaling van de vraag of al dan niet een op de reële waarde gebaseerd model voor administratieve verwerking moet worden uitgevoerd of de wijze waarop dit wordt toegepast beïnvloed door het voornemen van het management om bepaalde handelingen uit te voeren met betrekking tot het specifieke actief of de specifieke verplichting.

  4. Verschillende stelsels inzake financiële verslaggeving kunnen specifieke waarderingen tegen reële waarde en toelichtingen van reële waarde in de financiële overzichten vereisen, en kunnen deze in verschillende mate vereisen of toestaan. Het is mogelijk dat het stelsel inzake financiële verslaggeving:

  5. waarderings-, presentatie- en toelichtingsvereisten voorschrijft voor bepaalde in de financiële overzichten opgenomen informatie of voor informatie die wordt vermeld in de toelichting op de financiële overzichten dan wel gepresenteerd wordt als aanvullende informatie;

  6. bepaalde waarderingen tegen reële waarde toestaat naar keuze van de entiteit of alleen als aan bepaalde criteria is voldaan;

  7. een specifieke methode voor het bepalen van de reële waarde voorschrijft, bijvoorbeeld door middel van het gebruik van een onafhankelijke taxatie of specifieke manieren om verdisconteerde kasstromen te gebruiken;

  8. toestaat dat de methode voor het bepalen van de reële waarde wordt gekozen uit verschillende alternatieve methoden (de selectiecriteria kunnen al dan niet worden voorgeschreven door het stelsel inzake financiële verslaggeving); of

  9. geen enkele leidraad verschaft inzake waarderingen tegen reële waarde of toelichtingen van de reële waarde, behalve dan dat het gebruik ervan duidelijk is middels gewoonte of praktijk, bijvoorbeeld een sectorspecifieke praktijk.

  10. Sommige stelsels inzake financiële verslaggeving veronderstellen dat de reële waarde van activa of verplichtingen betrouwbaar kan worden bepaald als voorwaarde om waarderingen tegen reële waarde of toelichtingen van de reële waarde te vereisen of toe te staan. In sommige gevallen kan deze veronderstelling worden verworpen als er voor een actief of verplichting geen genoteerde marktprijs bestaat in een actieve markt en andere methoden voor redelijke schatting van de reële waarde duidelijk ongeschikt of onuitvoerbaar zijn. Sommige stelsels inzake financiële verslaggeving specificeren een reële-waardehiërarchie die inputs onderscheidt voor gebruik bij het bepalen van de reële waarde, gaande van die welke duidelijk ‘waarneembare inputs’ op basis van genoteerde prijzen en actieve markten inhouden en ‘niet-waarneembare inputs’ die de eigen oordeelsvormingen van de entiteit inhouden omtrent veronderstellingen die marktpartijen zouden hanteren.

  11. Sommige stelsels inzake financiële verslaggeving vereisen bepaalde gespecificeerde aanpassingen van of wijzigingen in waarderingsinformatie, dan wel andere overwegingen die uniek zijn voor een bepaald actief of een bepaalde verplichting. Zo kan de administratieve verwerking van vastgoedbeleggingen aanpassingen in een getaxeerde marktwaarde vereisen, zoals aanpassingen voor geschatte afsluit- en overdrachtskosten bij verkoop, aanpassingen die verband houden met de staat en locatie van het vastgoed, alsmede andere aangelegenheden. Zo ook is het mogelijk dat indien de markt voor een bepaald actief geen actieve markt is, gepubliceerde prijsnoteringen moeten worden aangepast of gewijzigd om tot een meer geschikte bepaling van de reële waarde te komen. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat genoteerde marktprijzen geen indicatie voor de reële waarde zijn als de markt zelden actief is of geen gevestigde markt is, of als er weinig eenheden worden verhandeld in verhouding tot het totale aantal eenheden dat zou kunnen worden verhandeld. Bijgevolg moeten dergelijke marktprijzen worden aangepast of gewijzigd. Mogelijk zijn alternatieve bronnen van marktinformatie nodig om dergelijke aanpassingen of wijzigingen uit te voeren. Verder is het mogelijk dat bij het bepalen van de reële waarde of de mogelijke bijzondere waardevermindering van een actief of verplichting rekening moet worden gehouden met verleend onderpand (bijvoorbeeld wanneer er onderpand is verleend voor bepaalde soorten beleggingen in schuldinstrumenten).

  12. In de meeste stelsels inzake financiële verslaggeving ligt aan het begrip waarderingen tegen reële waarde een veronderstelling ten grondslag dat de continuïteit van de entiteit gewaarborgd is zonder dat de entiteit intenties of genoodzaakt is om over te gaan tot liquidatie, een aanzienlijke inperking van de omvang van haar activiteiten of een transactie tegen ongunstige voorwaarden. Bijgevolg zou in dit geval de reële waarde niet het bedrag zijn dat de entiteit bij een gedwongen transactie, onvrijwillige liquidatie of gedwongen verkoop zou ontvangen of betalen. Aan de andere kant kunnen algemene economische omstandigheden of economische omstandigheden die specifiek voor bepaalde sectoren gelden leiden tot illiquiditeit in de markt en vereisen dat de reële waarde wordt gebaseerd op gedaalde prijzen, mogelijk op afbraakprijzen. Het is echter mogelijk dat een entiteit bij het bepalen van de reële waarde van haar activa en verplichtingen rekening moet houden met haar actuele economische of operationele situatie indien dit is voorgeschreven of toegestaan door haar stelsel inzake financiële verslaggeving, waarbij dat stelsel al dan niet specificeert op welke wijze dit wordt gedaan. Zo kan een voornemen van het management om een actief versneld te vervreemden teneinde bepaalde bedrijfsdoelstellingen te bereiken, relevant zijn voor de bepaling van de reële waarde van dat actief.Gangbaarheid van waarderingen tegen reële waarde

  13. Op reële waarde gebaseerde waarderingen en toelichtingen vinden steeds meer ingang in stelsels inzake financiële verslaggeving. De reële waarde kan op een aantal manieren voorkomen in en van invloed zijn op de bepaling van financiële overzichten, met inbegrip van de waardering tegen reële waarde van:

  14. specifieke activa of verplichtingen, zoals verhandelbare effecten of verplichtingen om een verbintenis uit hoofde van een financieel instrument af te wikkelen, die routinematig of periodiek tegen marktwaarde worden gewaardeerd;

  15. specifieke componenten van het eigen vermogen, bijvoorbeeld bij de administratieve verwerking van de opname, waardering en presentatie van bepaalde financiële instrumenten met kenmerken van eigen vermogen, zoals een obligatie die door de houder kan worden geconverteerd in gewone aandelen van de emittent;

  16. specifieke activa of verplichtingen die in een bedrijfscombinatie zijn verworven respectievelijk overgenomen. Zo is de eerste bepaling van goodwill die voortkomt uit de overname van een entiteit in een bedrijfscombinatie gewoonlijk gebaseerd op de waardering van de identificeerbare verworven activa en overgenomen verplichtingen tegen reële waarde en op de reële waarde van de betaalde vergoeding;

  17. specifieke activa of verplichtingen die eenmalig zijn aangepast naar reële waarde. Het is mogelijk dat bepaalde stelsels inzake financiële verslaggeving een waardering tegen reële waarde vereisen om een aanpassing aan een actief of een groep activa te kwantificeren als onderdeel van het bepalen van de bijzondere waardevermindering van een actief, bijvoorbeeld een toetsing van in een bedrijfscombinatie verkregen goodwill op bijzondere waardevermindering op basis van de reële waarde van een gedefinieerde operationele entiteit of verslaggevende eenheid waarvan de waarde vervolgens wordt toegerekend aan de groep activa en verplichtingen van de entiteit of eenheid teneinde een impliciete goodwill te bepalen ter vergelijking met de geboekte goodwill;

  18. samenvoegingen van activa en verplichtingen. In bepaalde omstandigheden vraagt de waardering van een categorie of groep activa of verplichtingen om een samenvoeging van de reële waarde van bepaalde afzonderlijke activa of verplichtingen in die categorie of groep. Zo kan overeenkomstig het voor een entiteit van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving de waardering van een gediversificeerde leningportefeuille worden gebaseerd op de reële waarde van bepaalde categorieën leningen waaruit de portefeuille bestaat;

  19. informatie die in de toelichtingen op de financiële overzichten is opgenomen of die als aanvullende informatie is gepresenteerd maar niet in de financiële overzichten is opgenomen.