Paragraaf 1 Permanente educatie

Afdeling 1 Vrijstellingen

Vervallen

Afdeling 2 Ontheffingen

Artikel 1
  1. Ontheffing van artikelen 2 en 3 van de Nadere voorschriften permanente educatie wordt in ieder geval verleend aan de accountant in business die per kalenderjaar minder dan 200 uur actief is of die bij het verrichten van zijn werkzaamheden minder dan 200 uur de specifieke deskundigheid aanwendt dan wel kan aanwenden waarover een accountant gewoonlijk beschikt.

  2. Bij de beoordeling worden zowel bezoldigde als onbezoldigde werkzaamheden betrokken.

  3. Ontheffing geschiedt onder de voorwaarde dat de accountant jaarlijks een Verklaring van verrichte activiteiten afgeeft. De verklaring dient uiterlijk 31 maart van het jaar volgend op het jaar waarop de verklaring betrekking heeft, te zijn ingediend.

  4. Het model van de Verklaring verrichte activiteiten wordt door het bestuur vastgesteld.

Artikel 2

Vervallen

Artikel 3

Ontheffing van artikel 2, eerste lid of artikel 2b, tweede lid, van de Nadere voorschriften permanente educatie wordt in ieder geval verleend indien de accountant door ziekte, zwangerschap of langdurige zorg voor een naaste als bedoeld in artikel 5:9 van de Wet Arbeid en Zorg niet in staat is om geheel of gedeeltelijk aan de verplichtingen uit artikel 2, eerste lid of artikel 2b, tweede lid, te voldoen.

Artikel 4

Ontheffing van artikel 2, derde lid, van de Nadere voorschriften permanente educatie wordt in ieder geval verleend indien:

  1. de accountant gedurende een kalenderjaar ten minste 6 maanden in het buitenland werkzaam is geweest en daardoor redelijkerwijs niet in staat is om aan het bepaalde in artikel 2, derde lid, van de Nadere voorschriften permanente educatie te voldoen; of

  2. een in Nederland werkzame accountant een PE-activiteit in het buitenland heeft verricht.

Artikel 5

Ontheffing van artikel 3 van de Nadere voorschriften permanente educatie wordt in ieder geval verleend indien de accountant:

  1. binnen een jaar voorafgaand aan het vaststellen van een verplicht kennisgebied of onderwerp een cursus dienaangaande heeft gevolgd;

  2. in het lopende kalenderjaar in het buitenland werkzaam is geweest en daardoor redelijkerwijs niet in staat is om aan het bepaalde in artikel 3 van de Nadere voorschriften permanente educatie te voldoen; of

  3. als docent of cursusontwikkelaar van een cursus over een voor hem geldend verplicht kennisgebied of onderwerp is opgetreden.

Artikel 6

Ontheffing van artikel 4, eerste lid, van de Nadere voorschriften permanente educatie wordt in ieder geval verleend aan de accountant die redelijkerwijs niet in staat is om zijn PE-activiteiten op de door het bestuur aangegeven wijze te registreren.

Afdeling 3 Aangewezen wijze van registratie

Artikel 7

De registratie, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Nadere voorschriften permanente educatie geschiedt door opname van PE-activiteiten in het online-PE-registratiesysteem.

Artikel 8

Onder cursus als bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Nadere voorschriften permanente educatie wordt verstaan een cursus die op juiste wijze is aangemeld in het cursusregistratiesysteem.

Afdeling 4 Waarderen van de PE-activiteiten

Artikel 9

Bij het waarderen van PE-activiteiten als bedoeld in artikel 5 van de Nadere voorschriften permanente educatie worden resteenheden van 30 minuten afgerond op een heel uur.

Afdeling 5 Indienen van klachten

Artikel 9a

De termijn, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Nadere voorschriften permanente educatie bedraagt 3 maanden.

Paragraaf 2 Erkende PE-instellingen

Artikel 10
  1. Een erkenning van een PE-instelling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Nadere voorschriften permanente educatie wordt op grond van de volgende uitgangspunten beoordeeld:

    1. het onderwijs is van voldoende niveau en heeft tot doel een verhoging van de kwaliteit van de deskundigheid van accountants door scholing, training of kennisoverdracht met een didactische doelstelling te bewerkstelligen;

    2. de docenten zijn vakinhoudelijk gekwalificeerd, hetgeen blijkt uit een door de PE-instelling opgesteld profiel. In het profiel wordt de opleiding of werkervaring van de docenten omschreven;

    3. de PE-instelling toont haar ervaring aan door middel van cursusprogramma’s, onderliggende documentatie, referenties en evaluaties;

    4. de PE-instelling registreert minimaal één cursus per kalenderjaar;

    5. de PE-instelling beschikt over een betrouwbare aanwezigheidsregistratie;

    6. het cursusmateriaal sluit aan bij de leerdoelen van de cursus en bevat in beginsel een documentatiemap of syllabus die bruikbaar is als naslagwerk.

  2. Het bestuur stelt de volgende aanvullende voorwaarden als bedoeld in artikel 9, tweede lid onder f, van de Nadere voorschriften permanente educatie vast:

    1. de PE-instelling evalueert de door haar aangeboden cursussen door middel van het door het bestuur vastgestelde Standaard Evaluatieformulier of een, door de PE-instelling gehanteerd, overeenkomstig formulier;

    2. de PE-instelling geeft binnen vier weken na afloop van de cursus een deelnamecertificaat af aan de cursist. Het deelnamecertificaat vermeldt de volgende gegevens:

      1. naam van de PE-instelling;

      2. cursusnaam en cursusdatum;

      3. naam, volledige voorletters en titulatuur van de cursist of docent;

      4. aantal uren dat besteed is aan de PE-activiteit;

      5. de code waaronder de cursus in het cursusregistratiesysteem is opgenomen.

    3. de PE-instelling bewaart de cursusdocumenten voor een periode van zes jaar;

    4. onder cursusdocumenten wordt verstaan:

      1. cursusmateriaal;

      2. presentielijsten met handtekeningen;

      3. evaluatieformulieren;

      4. cursusprogramma;

      5. deelnamecertificaten;

      6. cursusaankondiging.

  3. In afwijking van hetgeen in het vorige lid, onderdeel b bepaald is kan een PE-instelling een jaarcertificaat bijhouden met betrekking tot de gevolgde cursussen. Het jaarcertificaat vermeldt overeenkomstige gegevens als het deelnamecertificaat.

  4. Ten aanzien van nieuwe vormen van onderwijs kunnen door het bestuur van het eerste en tweede lid afwijkende uitgangspunten en voorwaarden worden gesteld.

Artikel 11
  1. Het toezicht op de naleving van de erkenningsvoorschriften als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Nadere voorschriften permanente educatie vindt plaats aan de hand van de volgende instrumenten:

    1. de visitatoren PE;

    2. het meldpunt PE;

    3. de audit PE.

  2. De audit PE bestaat uit de volgende elementen:

    1. controle cursusdocumenten;

    2. kwaliteitsonderzoek;

    3. interview onderwijswijsinstelling.

  3. De uit de toezichtsinstrumenten verkregen informatie kan voor het bestuur aanleiding zijn tot het doen van nader onderzoek. Ten behoeve van het nader onderzoek kunnen stukken worden opgevraagd en gecontroleerd.

Artikel 12

De vanaf 1 januari 2013 geldende Beleidsregel permanente educatie geldend voor registeraccountants en de vanaf 1 januari 2013 geldende Beleidsregel permanente educatie geldend voor Accountant-Administratieconsulenten worden ingetrokken.

Artikel 13

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 juni 2013.

Artikel 14

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel permanente educatie.

 

 

  

Regelgevingtechnische informatie

Betreft

Artikel

Besluit

Goedkeuring

Bekendmaking

Inwerkingtreding

Nieuwe regeling

7-5-2013

nvt

Stcrt. 2013, 13821

1-6-2013

Gewijzigde regeling

24-12-2013

nvt

Stcrt. 2014, 176

1-1-2014

Toelichting bij de Beleidsregel permanente educatie

Deze Toelichting bij de Beleidsregel inzake permanente educatie heeft niet de status van regelgeving.

 

In de Nadere voorschriften permanente educatie is afscheid genomen van het casuïstische karakter waardoor de voorafgaande PE-regeling werd gekenmerkt. Permanente educatie is een complex onderwerp dat zich lastig laat regelen, uitvoeren en handhaven. Met de huidige opzet is getracht om de helderheid en duidelijkheid te vergroten en het bestuur meer beslissingsmarge te geven, zodat het telkens tot een passende situatieve beoordeling kan komen.

 

De Nadere voorschriften permanente educatie beperken zich zoveel mogelijk tot het scheppen van bevoegdheden voor het bestuur en rechtsmiddelen voor accountants. De invulling van deze bevoegdheden vindt plaats in onderhavige beleidsregel, die kwalificeert als beleidsregel in de zin van artikel 10:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De binding van het bestuur aan de beleidsregel vloeit voort uit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Onder meer het gelijkheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel vergen dat het bestuur niet zonder meer de beleidsregel kan loslaten in een individueel geval. Ingeval van bijzondere omstandigheden of een bijzonder geval zal het bestuur niet onverkort vast kunnen houden aan de beleidsregel, maar zal een nadere afweging moeten worden gemaakt die kan noodzaken tot afwijking van hetgeen in de beleidsregel is bepaald (artikel 4:84 Awb). Een dergelijke inherente afwijkingsbevoegdheid bestaat niet ten aanzien van verordeningen of nadere voorschriften.