Hoe belangrijk is je afkomst voor je? 
‘Het is dubbel. Mijn moeder is Nederlands, mijn vader komt uit Suriname. Voor mij voelt die afkomst heel normaal. Ik ben trots op beide kanten maar tegelijkertijd gaat de aandacht altijd uit naar één kant. Mensen vragen wel of ik een Surinamer ben maar nooit of ik een Nederlander ben. Toen ik op het hbo zat kreeg ik tijdens een sollicitiegesprek voor een stage als eerste vraag: waar kom je vandaan? Zaltbommel, antwoordde ik. Ik wist wel waar ze op doelden, maar ik vond het zo’n rare vraag. Pas toen ik, nadat ze het nog een keer vroegen, vertelde dat ik Nederlands-Surinaams was waren ze tevreden. Die verwijzing naar je afkomst is iets wat je van jongs af aan achtervolgt. Soms in de vorm van een racistische opmerking. Dan hoorde je op het schoolplein een meisje zeggen dat haar vader het nooit goed zou vinden als ze met een Surinaamse jongen thuiskomt.’  

Hoe vormt je dat?
‘Je wapent je tegen bepaalde aannames. Als ik mij bij een nieuwe klant meld, zorg ik dat ik formeel gekleed ben, zodat in een oogopslag duidelijk is dat de accountant is gearriveerd. In minder nette kleren loop ik het risico dat bij binnenkomst iemand achter de balie zegt dat de pakketjes al zijn opgehaald. In dat opzicht heb ik minder privileges dan iemand met een witte huidskleur. In mijn werk heeft het tijd gekost om een mindset te ontwikkelen waarin je onbevangen vragen stelt. Ik vond het lange tijd vooral belangrijk om te bewijzen dat ik een slimme accountant was. Als ik iets moeilijk vond, durfde ik dat niet te benoemen. Voor een leidinggevende is dat niet ideaal. Die wil juist dat je naar hem toekomt met een probleem. Dat je om hulp mag vragen, heb ik moeten leren. In het laatste jaar van de praktijkopleiding moet je een referaat houden waarin je een persoonlijk dilemma beschrijft waar je mee worstelt. Dat heb ik gewijd aan een casus waarin ik niet met een probleem naar de partner durfde te stappen. Dat werd goed beoordeeld.’ 

Wat deden je ouders en welke kwaliteit die je van hen hebt geërfd, komt in je huidige werk van pas? 
‘Mijn vader heeft altijd als lasser gewerkt op raffinaderijen en boorplatformen. Mijn moeder werkte veertig jaar als secretaresse in een ziekenhuis in Den Bosch. Ze zijn beiden met pensioen. Wat ze mij en de andere kinderen - ik heb een tweelingzus en een oudere zus - hebben geleerd, is dat je nooit op moet geven. Het zijn heel sociale mensen die makkelijk contact maken. Daarmee hebben ze ook een grote invloed gehad op hoe ik met anderen omga. Op de middelbare school ging mijn interesse niet uit naar cijfers. Ik wilde juist iets met sport doen. Dat vond mijn vader geen goed idee. Jij bent veel te slim om sportinstructeur te worden, zei hij. Die zoektocht naar een geschikte opleiding was best een uitdaging. Mijn ouders hebben niet gestudeerd. Ik had totaal geen idee welke studie ik moest kiezen. Economie en wiskunde waren vakken die mij makkelijk afgingen. Daarom koos ik de hbo-opleiding Accountancy.’

Hoe heb je je plek gevonden? 
‘Eigenlijk heb ik niet zozeer mijn plek gevonden. Het is meer dat ik mijzelf heb gevonden. Ik heb geleerd hoe ik in een organisatie dicht bij mijn eigen normen en waarden kan blijven. In Nederland vindt men hiërarchie een vies woord. Er is een verwachting, maar die wordt niet duidelijk uitgesproken. Dat vond ik in het begin van mijn carrière lastig. Ik ben juist met heel duidelijke regels opgegroeid. Als ik ´s avonds de deur uitging, vertelde mijn vader wanneer ik weer thuis moest zijn. Mijn stage in Suriname was in dat opzicht een verademing, omdat daar in je werk heel duidelijk wordt gecommuniceerd wat er wel en niet van je wordt verwacht. Dat voelde vertrouwd.’   

Hoe belangrijk zijn netwerken en rolmodellen?
‘Ik heb niet echt een rolmodel in mijn werk gehad. De voorbeelden die mij inspireerden, waren eerder atleten en mijn vader. Het was fijn geweest als ik zo iemand had gehad. Consuelo Sedney, lid van de raad van bestuur van Forvis Mazars, is voor mij wel een voorbeeld. Hij is de eerste Surinamer op een bestuursfunctie die ik van dichtbij meemaak. Het gaat voor mij niet alleen om de herkenning maar ook om de beeldvorming. Tijdens mijn postmaster vond ik een portemonnee van een medestudent. Toen ik die portemonnee afgaf bij kennissen van hem, begrepen ze eerst niet hoe ik aan die portemonnee kwam. Ik heb de portemonnee op school gevonden, legde ik uit. Ze keken mij niet begrijpend aan. Wist ik dat wel zeker? Hij studeert aan de universiteit. Wat deed ik daar dan? Ze waren heel verrast dat ik kennelijk ook studeerde. Met rolmodellen doorbreek je dat beeld. Daarom ben ik ook actief op zoek naar een toezichthoudende rol of bestuursfunctie. Ik zie mijzelf nog niet als een rolmodel. Dat is in mijn ogen toch vooral iemand die alles heel goed doet.’  
Ik denk dat je dat wel bent. Voor een jongere die zich in jou herkent, ben je als manager bij Forvis Mazars wel degelijk een rolmodel. 
‘Hm, misschien wel. Maar dan zie ik voor mijzelf eerder een rol als mentor. Ik merk dat een jongere collega met een migratieachtergrond makkelijker met een dilemma naar mij komt.’   

Welk voorwerp, gerecht, foto of gebeurtenis dat onlosmakelijk is verbonden met je cultuur, is je dierbaar en inspireert je?
‘Bruine bonen. Er zijn veel dingen die ik zou kunnen noemen, maar als ik er een uit moet lichten is het dat gerecht. Bruine bonen met rijst is in de Surinaams-Creoolse keuken een traditionele feestmaaltijd die met kerst of oudjaar gegeten wordt. Direct nadat ik mijn master had gehaald, belde ik mijn vader. Hij dook gelijk de keuken in. Toen ik thuiskwam, stond er een pan bruine bonen op het vuur. Dat was het mooiste moment van de dag.’