Hoofdstuk I Voorwerp en definities

Artikel 1

Voorwerp

Deze richtlijn stelt regels vast voor de wettelijke controle van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen.

Artikel 29 van deze richtlijn is niet van toepassing op de wettelijke controle van jaarrekeningen (financiële overzichten) en geconsolideerde jaarrekeningen (financiële overzichten) van organisaties van openbaar belang tenzij anders bepaald in Verordening (EU) nr. 537/2014 van het Europees Parlement en de Raad Verordening (EU) nr. 537/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende specifieke eisen voor de wettelijke controles van financiële overzichten van organisaties van openbaar belang (PB L 158 van 27.5.2014, blz. 77)..

Artikel 2

Definities

In de zin van deze richtlijn wordt verstaan onder:

  1. „wettelijke controle van jaarrekeningen (financiële overzichten)”: een controle van een jaarrekening (een jaarlijks financieel overzicht) of een geconsolideerde jaarrekening (een geconsolideerd financieel overzicht), voor zover deze:

    1. door het recht van de Unie wordt voorgeschreven;

    2. door nationaal recht wordt voorgeschreven met betrekking tot kleine ondernemingen;

    3. op vrijwillige basis op verzoek van kleine ondernemingen wordt uitgevoerd en voldoet aan nationale wettelijke voorschriften die gelijkwaardig zijn aan die welke gelden voor de in punt b) bedoelde controle, voor zover die controle bij nationale wetgeving als wettelijke controle is voorgeschreven;

  2. „wettelijke auditor”: een natuurlijke persoon die door de bevoegde autoriteiten van een lidstaat in overeenstemming met deze richtlijn is toegelaten tot het uitvoeren van wettelijke controles van jaarrekeningen;

  3. „auditkantoor”: een rechtspersoon of een andere entiteit met om het even welke rechtsvorm die door de bevoegde autoriteiten van een lidstaat in overeenstemming met deze richtlijn is toegelaten tot het uitvoeren van wettelijke controles van jaarrekeningen;

  4. „auditorganisatie van een derde land”: een entiteit, ongeacht de rechtsvorm, die de controle uitvoert van de financiële overzichten of de geconsolideerde financiële overzichten van een onderneming met statutaire zetel in een derde land, en die niet als gevolg van een toelating overeenkomstig artikel 3 als auditkantoor in een lidstaat is geregistreerd;

  5. „auditor van een derde land”: een natuurlijke persoon die de controle uitvoert van de financiële overzichten of de geconsolideerde financiële overzichten van een onderneming met statutaire zetel in een derde land, en die niet als gevolg van een toelating overeenkomstig de artikelen 3 en 44, als wettelijk auditor in een lidstaat is geregistreerd;

  6. „groepsauditor”: de wettelijke auditor die, dan wel het (de) auditkanto(o)r(en) dat (die) de wettelijke controle van geconsolideerde jaarrekeningen uitvoert (uitvoeren);

  7. „netwerk”: de grotere structuur:

    • die op samenwerking is gericht en waartoe een wettelijke auditor of een auditkantoor behoort, en

    • die duidelijk is gericht op winst- of kostendeling, of het delen van gemeenschappelijke eigendom, zeggenschap of bestuur, een gemeenschappelijk beleid en procedures inzake kwaliteitsbeheersing, een gemeenschappelijke bedrijfsstrategie, het gebruik van een gemeenschappelijke merknaam of een aanzienlijk deel van de bedrijfsmiddelen;

  8. „verbonden entiteit van een auditkantoor”: een entiteit met om het even welke rechtsvorm die met een auditkantoor verbonden is door middel van gemeenschappelijke eigendom, zeggenschap of bestuur;

  9. „controleverklaring”: het in artikel 51 bis van Richtlijn 78/660/EEG en artikel 37 van Richtlijn 83/349/EEG bedoelde verslag dat is uitgebracht door de wettelijke auditor of het auditkantoor;

  10. „bevoegde autoriteiten”: bij wet aangewezen instanties die belast zijn met de regelgeving betreffende en/of het toezicht op wettelijke auditors en auditkantoren of specifieke aspecten daarvan; de verwijzing naar de „bevoegde autoriteit” in een artikel is een verwijzing naar de autoriteit(en) die verantwoordelijk is (zijn) voor de in dat artikel genoemde taken;

  11. -

  12. „internationale standaarden voor jaarrekeningen”: de International Accounting Standards (IAS), de International Financial Reporting Standards (IFRS) en de daarmee verband houdende interpretaties (SIC/IFRIC interpretations), wijzigingen van deze standaarden en interpretaties, toekomstige standaarden en daarmee verband houdende interpretaties die worden vastgesteld of goedgekeurd door de International Accounting Standards Board (IASB);

  13. „organisaties van openbaar belang”:

    1. onder het recht van een lidstaat vallende entiteiten waarvan de effecten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt van een lidstaat in de zin van artikel 4, lid 1, punt 14, van Richtlijn 2004/39/EG;

    2. kredietinstellingen in de zin van artikel 3, lid 1, punt 1, van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338)., en die geen kredietinstelling zijn als bedoeld in artikel 2 van die richtlijn;

    3. verzekeringsondernemingen in de zin van artikel 2, lid 1, van Richtlijn 91/674/EEG; of

    4. door de lidstaten als organisaties van openbaar belang aangemerkte entiteiten, bijvoorbeeld ondernemingen die van groot algemeen belang zijn als gevolg van de aard van hun bedrijfsactiviteiten, hun omvang of de grootte van hun personeelsbestand;

  14. „coöperatie”: een Europese coöperatieve vennootschap zoals omschreven in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1435/2003 van de Raad van 22 juli 2003 betreffende het statuut voor een Europese Coöperatieve Vennootschap (ECV) PB L 207 van 18.8.2003, blz. 1., of een andere coöperatie waarvoor het Gemeenschapsrecht een wettelijke controle van jaarrekeningen voorschrijft, zoals kredietinstellingen als omschreven in artikel 1, punt 1, van Richtlijn 2000/12/EG, en verzekeringsondernemingen in de zin van artikel 2, lid 1, van Richtlijn 91/674/EEG;

  15. „persoon die geen beroepsbeoefenaar is”: een natuurlijke persoon die gedurende zijn of haar betrokkenheid bij het beheer van het stelsel van publiek toezicht en gedurende ten minste de drie daaraan onmiddellijk voorafgaande jaren geen wettelijke controles van financiële overzichten heeft verricht, geen stemrechten in een auditkantoor heeft bezeten, geen lid is geweest van het administratieve, leidinggevende of bestuursorgaan van een auditkantoor en niet in dienst is geweest van of verbonden is geweest aan een auditkantoor;

  16. „voornaamste vennoot/vennoten”:

    1. de wettelijke auditor(s) die door een auditkantoor voor een bepaalde controleopdracht is/zijn aangewezen als hoofdverantwoordelijke(n) voor de uitvoering van de wettelijke controle van jaarrekeningen namens het auditkantoor; of

    2. in het geval van een groepscontrole, ten minste de wettelijke auditor(s) die door een auditkantoor is/zijn aangewezen als hoofdverantwoordelijke(n) voor de uitvoering van de wettelijke controle van jaarrekeningen op groepsniveau en de wettelijke auditor(s) die is/zijn aangewezen als hoofdverantwoordelijke(n) op het niveau van materiële dochterondernemingen; of

    3. de wettelijke auditor(s) die de controleverklaring ondertekent/ondertekenen;

  17. „middelgrote ondernemingen”: ondernemingen als bedoeld in artikel 1, lid 1, en artikel 3, lid 3, van Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PB L 182 van 29.6.2013, blz. 19).;

  18. „kleine ondernemingen”: ondernemingen als bedoeld in artikel 1, lid 1, en artikel 3, lid 2, van Richtlijn 2013/34/EU;

  19. „lidstaat van herkomst”: een lidstaat waar een wettelijke auditor of een auditkantoor overeenkomstig artikel 3, lid 1, is toegelaten;

  20. „lidstaat van ontvangst”: een lidstaat waar een door zijn/haar lidstaat van herkomst toegelaten wettelijke auditor overeenkomstig artikel 14 ook wenst te worden toegelaten, of een lidstaat waar een door zijn/haar lidstaat van herkomst toegelaten auditkantoor overeenkomstig artikel 3 bis, wenst geregistreerd te worden of geregistreerd is.

Hoofdstuk II Toelating, permanente scholing en wederzijdse erkenning

Artikel 3

Toelating, permanente scholing en wederzijdse erkenning

  1. Een wettelijke controle van jaarrekeningen mag alleen worden uitgevoerd door wettelijke auditors en auditkantoren die zijn toegelaten door de lidstaat die deze controles eist.

  2. Elke lidstaat wijst de bevoegde autoriteit aan die verantwoordelijk is voor de toelating van de wettelijke auditors en auditkantoren. 

  3. Onverminderd artikel 11 mogen alleen natuurlijke personen die ten minste aan de in de artikelen 4 en 6 tot en met 10 gestelde voorwaarden voldoen, door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten worden toegelaten als wettelijke auditors.

  4. Alleen entiteiten die aan de onder a) tot en met d) gestelde voorwaarden voldoen, mogen door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten worden toegelaten als auditkantoren:

    1. de natuurlijke personen die wettelijke controles van jaarrekeningen namens een kantoor uitvoeren, die ten minste voldoen aan de in de artikelen 4 en 6 tot en met 12 gestelde voorwaarden en toegelaten zijn in die lidstaat als wettelijke auditors;

    2. een meerderheid van de stemrechten van de entiteit is in het bezit van auditkantoren die in een lidstaat zijn toegelaten, of van natuurlijke personen die ten minste voldoen aan de in de artikelen 4 en 6 tot en met 12 gestelde voorwaarden. De lidstaten kunnen bepalen dat dergelijke natuurlijke personen ook in een andere lidstaat moeten zijn toegelaten. Voor de wettelijke controle van coöperaties, spaarbanken en soortgelijke instellingen als bedoeld in artikel 45 van Richtlijn 86/635/EEG, of van een dochteronderneming of wettelijke opvolger van een coöperatie, een spaarbank of een soortgelijke instelling als bedoeld in artikel 45 van Richtlijn 86/635/EEG, kunnen de lidstaten andere specifieke bepalingen inzake de stemrechten vaststellen;

    3. een meerderheid — van ten hoogste 75 % — van de leden van het leidinggevende of bestuursorgaan van de entiteit bestaat uit auditkantoren die in een lidstaat zijn toegelaten, of uit natuurlijke personen die ten minste voldoen aan de in de artikelen 4 en 6 tot en met 12 gestelde voorwaarden. De lidstaten kunnen bepalen dat dergelijke natuurlijke personen ook in een andere lidstaat moeten zijn toegelaten. Wanneer dit orgaan uit slechts twee leden bestaat, moet één van deze leden ten minste aan de in dit lid gestelde voorwaarden voldoen;

    4. het kantoor voldoet aan de in artikel 4 gestelde voorwaarde.

      De lidstaten mogen alleen bijkomende voorwaarden stellen in verband met het bepaalde onder c), die in verhouding staan tot het nagestreefde doel en niet verder gaan dan hetgeen strikt noodzakelijk is.

Artikel 3 bis

Erkenning van auditkantoren

  1. In afwijking van artikel 3, lid 1, heeft een in een lidstaat toegelaten auditkantoor het recht in een andere lidstaat wettelijke controles van financiële overzichten te verrichten, mits de voornaamste vennoot die namens het auditkantoor de wettelijke controle verricht, in de lidstaat van ontvangst voldoet aan artikel 3, lid 4, onder a).

  2. Een auditkantoor dat in een andere lidstaat dan zijn lidstaat van herkomst wettelijke controles van financiële overzichten wil verrichten, laat zich overeenkomstig de artikelen 15 en 17 registreren bij de bevoegde autoriteit in de lidstaat van ontvangst.

  3. De bevoegde autoriteit in de lidstaat van ontvangst registreert het auditkantoor indien zij heeft vastgesteld dat het auditkantoor geregistreerd is bij de bevoegde autoriteit in de lidstaat van herkomst. Indien de lidstaat van ontvangst zich wil baseren op een certificaat van registratie van het auditkantoor in de lidstaat van herkomst, kan de bevoegde autoriteit in de lidstaat van ontvangst de eis stellen dat het door de bevoegde autoriteit in de lidstaat van herkomst afgegeven certificaat niet meer dan drie maanden oud mag zijn. De bevoegde autoriteit in de lidstaat van ontvangst brengt de bevoegde autoriteit in de lidstaat van herkomst op de hoogte van de registratie van het auditkantoor.

Artikel 4

Betrouwbaarheid

De bevoegde autoriteiten van een lidstaat mogen slechts toelating verlenen aan betrouwbare natuurlijke personen of kantoren.

Artikel 5

Intrekking van de toelating

  1. De toelating van een wettelijke auditor of een auditkantoor wordt ingetrokken indien de betrouwbaarheid van deze persoon of dat kantoor ernstig in het gedrang is gekomen. De lidstaten kunnen evenwel een redelijke termijn toestaan om aan de betrouwbaarheidsvereisten te voldoen.

  2. De toelating van een auditkantoor wordt ingetrokken indien niet langer wordt voldaan aan één van de in artikel 3, lid 4, onder b) en c), gestelde voorwaarden. De lidstaten kunnen evenwel een redelijke termijn toestaan om aan deze voorwaarden te voldoen.

  3. Wanneer de toelating van een wettelijke auditor of een auditkantoor om enige reden wordt ingetrokken, deelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst waar de toelating wordt ingetrokken, dit met opgave van de redenen voor de intrekking mee aan de relevante bevoegde autoriteiten van de lidstaten van ontvangst waar de wettelijke auditor of het auditkantoor eveneens is geregistreerd overeenkomstig artikel 3 bis, artikel 16, lid 1, onder c), en artikel 17, lid 1, onder i).

Artikel 6

Scholing

Onverminderd artikel 11 kunnen natuurlijke personen slechts worden toegelaten tot het uitvoeren van wettelijke controles van de jaarrekeningen wanneer zij, na het niveau te hebben bereikt om tot een universiteit te worden toegelaten of een gelijkwaardig niveau, een theoretische opleiding en een praktijkopleiding hebben gevolgd en met goed gevolg een door de betrokken lidstaat georganiseerd of erkend vakbekwaamheidsexamen hebben afgelegd waarvan het niveau overeenkomt met een afgesloten universitaire opleiding of een gelijkwaardig niveau.

De in artikel 32 bedoelde bevoegde autoriteiten werken met elkaar samen om te komen tot convergentie van de in dit artikel gestelde vereisten. Bij hun samenwerking houden die bevoegde autoriteiten rekening met de ontwikkelingen in de auditpraktijk en binnen het auditberoep, en met name met de convergentie die al door het beroep is bereikt. Zij werken samen met het Comité van Europese auditorstoezichthouders (Ceaob) en de in artikel 20 van Verordening (EU) nr. 537/2014 bedoelde bevoegde autoriteiten voor zover deze convergentie verband houdt met de wettelijke controle van organisaties van openbaar belang.

Artikel 7

Vakbekwaamheidsexamen

Het in artikel 6 bedoelde vakbekwaamheidsexamen biedt de garantie dat de noodzakelijke theoretische kennis van de vakgebieden die voor de wettelijke controle van jaarrekeningen van belang zijn, aanwezig is en bij de uitvoering van deze controle in de praktijk kan worden gebracht. Dit examen moet ten minste één schriftelijk gedeelte omvatten.

Artikel 8

Toetsing van de theoretische kennis

  1. De toetsing van de theoretische kennis die deel uitmaakt van het examen, heeft met name betrekking op de volgende vakgebieden:

    1. algemene theorie en beginselen van de boekhouding;

    2. wettelijke voorschriften en normen voor de opstelling van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen;

    3. internationale standaarden voor jaarrekeningen;

    4. financiële analyse;

    5. analytische- en beleidsboekhouding;

    6. risicomanagement en interne beheersing;

    7. controleleer en beroepsvaardigheden;

    8. wettelijke voorschriften en gedrags- en beroepsnormen betreffende de wettelijke controle van jaarrekeningen en de daarmee belaste wettelijke auditors;

    9. in artikel 26 bedoelde internationale controlestandaarden;

    10. beroepsethiek en onafhankelijkheid.

  2. De toetsing heeft ook ten minste betrekking op de volgende vakgebieden, voor zover deze voor de wettelijke controle van jaarrekeningen van belang zijn:

    1. vennootschapsrecht en corporate governance;

    2. faillissementsrecht en soortgelijke procedures;

    3. belastingrecht;

    4. burgerlijk en handelsrecht;

    5. socialezekerheidsrecht en arbeidsrecht;

    6. informatietechnologie en informaticasystemen;

    7. algemene, financiële en bedrijfseconomie;

    8. wiskunde en statistiek;

    9. grondbeginselen van financieel bedrijfsbeheer.

Artikel 9

Vrijstellingen

  1. In afwijking van de artikelen 7 en 8 mogen de lidstaten bepalen dat personen die met goed gevolg een universitair of gelijkwaardig examen hebben afgelegd dan wel in het bezit zijn van een universitair of gelijkwaardig diploma voor een of meer van de in artikel 8 genoemde vakgebieden, worden vrijgesteld van de toetsing van de theoretische kennis van de vakgebieden waarop dat examen of diploma betrekking heeft.

  2. In afwijking van artikel 7 mogen de lidstaten bepalen dat houders van een universitair of gelijkwaardig diploma voor een of meer van de in artikel 8 genoemde vakgebieden, met betrekking tot die vakgebieden worden vrijgesteld van toetsing van het vermogen om de theoretische kennis in de praktijk toe te passen, indien daarvoor een praktijkopleiding is gevolgd, afgesloten met een door de staat erkend examen of diploma.

Artikel 10

Praktijkopleiding

  1. Ter verkrijging van het op het examen te toetsen vermogen om de theoretische kennis in de praktijk toe te passen, wordt een ten minste drie jaar durende praktijkopleiding gevolgd die in het bijzonder de controle van jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten of soortgelijke financiële overzichten omvat. Deze praktijkopleiding wordt voor ten minste twee derde gevolgd bij een in een lidstaat toegelaten wettelijke auditor of auditkantoor.

  2. De lidstaten zien erop toe dat de gehele opleiding wordt gevolgd bij personen die voldoende waarborgen bieden dat zij in staat zijn de praktijkopleiding te verzorgen.

Artikel 11

Bekwaamheid als gevolg van langdurige praktijkervaring

Een lidstaat mag personen die niet aan de in artikel 6 gestelde eisen voldoen, als wettelijke auditors toelaten, mits deze personen aantonen dat zij:

  1. gedurende vijftien jaar beroepswerkzaamheden hebben verricht waardoor zij voldoende ervaring op financieel, juridisch en boekhoudkundig gebied verkregen kunnen hebben en met goed gevolg het in artikel 7 bedoelde vakbekwaamheidsexamen hebben afgelegd, ofwel

  2. gedurende zeven jaar op dat gebied beroepswerkzaamheden hebben verricht en bovendien de in artikel 10 bedoelde praktijkopleiding hebben gevolgd en met goed gevolg het in artikel 7 bedoelde vakbekwaamheidsexamen hebben afgelegd.

Artikel 12

Combinatie van praktijkopleiding en theoretische opleiding

  1. De lidstaten mogen bepalen dat de tijdvakken waarin een theoretische opleiding op de in artikel 8 bedoelde vakgebieden werd gevolgd, meetellen bij het in artikel 11 genoemde aantal jaren beroepswerkzaamheden, mits die opleiding is afgesloten met een met goed gevolg afgelegd examen dat door de staat is erkend. Deze opleiding mag niet korter zijn dan één jaar en mag niet voor meer dan vier jaar op het aantal jaren beroepswerkzaamheden in mindering worden gebracht.

  2. De duur van de beroepswerkzaamheden en de praktijkopleiding samen mag niet korter zijn dan de duur van de bij artikel 10 voorgeschreven theoretische opleiding en praktijkopleiding samen.

Artikel 13

Permanente scholing

De lidstaten zien erop toe dat er voor wettelijke auditors passende permanente scholingsprogramma's gelden om de theoretische kennis, de beroepsvaardigheden en de beroepsethiek op een voldoende peil te houden, en dat tegen wettelijke auditors die de permanente scholingseisen niet naleven, passende sancties als bedoeld in artikel 30 worden getroffen.

Artikel 14

Toelating van wettelijke auditors uit andere lidstaten

  1. De bevoegde autoriteiten stellen procedures in voor de toelating van wettelijke auditors die reeds in andere lidstaten zijn toegelaten. Deze procedures gaan niet verder dan de eis dat een aanpassingsstage wordt doorlopen als bepaald in artikel 3, lid 1, onder g), van Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PB L 255 van 30.9.2005, blz. 22). of dat een bekwaamheidsproef wordt afgelegd als bepaald in punt h) van die bepaling.

  2. De lidstaat van ontvangst beslist of de aanvrager van de toestemming een aanpassingsstage moet doorlopen zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 1, onder g), van Richtlijn 2005/36/EG of een bekwaamheidsproef moet afleggen zoals gedefinieerd in punt h) van dat artikel.

    De aanpassingsperiode duurt niet langer dan drie jaar en de aanvrager wordt aan een beoordeling onderworpen.

    De bekwaamheidsproef wordt afgenomen in een van de talen die worden toegestaan door de in de betrokken lidstaat van ontvangst geldende taalvoorschriften. Met deze proef wordt uitsluitend beoordeeld of de wettelijke auditor voldoende kennis heeft van de wet- en regelgeving van die lidstaat van ontvangst voor zover deze relevant is voor wettelijke controles van financiële overzichten.

  3. De bevoegde autoriteiten werken in het kader van het Ceaob samen om te komen tot convergentie van de vereisten inzake de aanpassingsperiode en de bekwaamheidsproef. Zij verhogen de transparantie en de voorspelbaarheid van de vereisten. Zij werken samen met het Ceaob en de in artikel 20 van Verordening (EU) nr. 537/2014 bedoelde bevoegde autoriteiten voor zover deze convergentie verband houdt met wettelijke controles van organisaties van openbaar belang.

Hoofdstuk III Registratie

Artikel 15

Openbaar register

  1. Elke lidstaat ziet erop toe dat de wettelijke auditors en auditkantoren conform de artikelen 16 en 17 in een openbaar register zijn ingeschreven. In uitzonderlijke gevallen kunnen de lidstaten afwijken van het bepaalde in dit artikel en artikel 16 inzake openbaarmaking, maar slechts voor zover dit noodzakelijk is om een imminente en aanzienlijke bedreiging voor de persoonlijke veiligheid van een persoon in te perken.

  2. De lidstaten zien erop toe dat elke wettelijke auditor en elk auditkantoor aan de hand van een individueel nummer in het openbaar register is geïdentificeerd. De registratiegegevens worden in elektronische vorm in het register opgeslagen, en zijn langs elektronische weg toegankelijk voor het publiek.

  3. Het openbaar register bevat ook naam en adres van de bevoegde autoriteiten die belast zijn met de toelating als bedoeld in artikel 3, met de kwaliteitsborging als bedoeld in artikel 29, met de onderzoeken en sancties tegen wettelijke auditors en auditkantoren als bedoeld in artikel 30, en met het publiek toezicht als bedoeld in artikel 32.

  4. De lidstaten zien erop toe dat het openbaar register uiterlijk op 29 juni 2009 volledig operationeel is.

Artikel 16

Registerinschrijving van wettelijke auditors

  1. Het openbaar register bevat met betrekking tot wettelijke auditors ten minste de volgende gegevens:

    1. naam, adres en registratienummer;

    2. in voorkomend geval, naam, adres, internetadres en registratienummer van het auditkantoor waarbij de betrokken wettelijke auditor werkzaam is of waaraan hij als vennoot of anderszins verbonden is;

    3. elke andere inschrijving als wettelijke auditor bij de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten en als auditor in derde landen, met inbegrip van de na(a)m(en) van de met de registratie belaste autoriteit(en) en in voorkomend geval het/de registratienummer(s).

  2. Auditors van derde landen die overeenkomstig artikel 45 worden ingeschreven, worden in het register duidelijk als zodanig vermeld en niet als wettelijke auditors.

Artikel 17

Registerinschrijving van auditkantoren

  1. Het openbaar register bevat met betrekking tot auditkantoren ten minste de volgende gegevens:

    1. naam, adres en registratienummer;

    2. rechtsvorm;

    3. contactgegevens, voornaamste contactpersoon en, in voorkomend geval, internetadres van de website;

    4. adres van elke vestiging in de lidstaat;

    5. naam en registratienummer van alle wettelijke auditors die bij het auditkantoor werkzaam zijn of die als vennoot of anderszins aan het kantoor verbonden zijn;

    6. naam en kantooradres van alle eigenaars en aandeelhouders;

    7. naam en kantooradres van alle leden van het leidinggevende of bestuursorgaan;

    8. in voorkomend geval, het lidmaatschap van een netwerk en een lijst van de namen en adressen van de daartoe behorende kantoren en verbonden entiteiten, of vermelding van de plaats waar deze gegevens toegankelijk zijn voor het publiek;

    9. elke andere inschrijving als auditkantoor bij de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten en als auditorganisatie in derde landen, met inbegrip van de na(a)m(en) van de met de registratie belaste autoriteit(en) en in voorkomend geval het/de registratienummer(s);

    10. indien van toepassing, of het auditkantoor geregistreerd is overeenkomstig artikel 3 bis, lid 3.

  2. Auditorganisaties van derde landen die overeenkomstig artikel 45 worden ingeschreven, worden in het register duidelijk als zodanig vermeld en niet als auditkantoren.

Artikel 18

Actualisering van de registergegevens

De lidstaten zien erop toe dat wettelijke auditors en auditkantoren de bevoegde autoriteiten die voor het openbaar register verantwoordelijk zijn, zo spoedig mogelijk in kennis stellen van elke wijziging in de gegevens die in het openbaar register zijn opgenomen. Het register wordt zo spoedig mogelijk na de kennisgeving geactualiseerd.

Artikel 19

Verantwoordelijkheid voor de registergegevens

De in overeenstemming met de artikelen 16, 17 en 18 aan de relevante bevoegde autoriteiten verstrekte gegevens worden door de wettelijke auditor of het auditkantoor ondertekend. Indien de bevoegde autoriteit de mogelijkheid van elektronische gegevensverstrekking biedt, kan dit bijvoorbeeld gebeuren door middel van een elektronische handtekening als omschreven in artikel 2, punt 1, van Richtlijn 1999/93/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1999 betreffende een gemeenschappelijk kader voor elektronische handtekeningen. PB L 13 van 19.1.2000, blz. 12.

Artikel 20

Taal

  1. De in het openbaar register ingevoerde gegevens zijn gesteld in een taal die overeenkomstig de in de betrokken lidstaat van toepassing zijnde taalvoorschriften is toegestaan.

  2. De lidstaten kunnen toestaan dat de gegevens nog in (een) andere officiële taal (talen) van de Gemeenschap in het openbaar register worden opgenomen. De lidstaten kunnen voorschrijven dat de vertaling van de gegevens wordt gewaarmerkt.

De betrokken lidstaat ziet erop toe dat het register in alle gevallen vermeldt of de vertaling gewaarmerkt is of niet.

Hoofdstuk IV Beroepsethiek, onafhankelijkheid, objectiviteit, vertrouwelijkheid en beroepsgeheim

Artikel 21

Beroepsethiek en professioneel-kritische instelling

  1. De lidstaten zien erop toe dat voor alle wettelijke auditors en auditkantoren beginselen van de beroepsethiek gelden. Deze hebben ten minste betrekking op hun verantwoordelijkheid voor het openbaar belang, hun integriteit en objectiviteit, alsmede hun vakbekwaamheid en zorgvuldigheid.

  2. De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer een wettelijke auditor of een auditkantoor de wettelijke controle van de financiële overzichten uitvoert, de wettelijke auditor of het auditkantoor tijdens de hele controle een professioneel-kritische instelling behoudt, door te onderkennen dat er sprake kan zijn van een afwijking van materieel belang als gevolg van feiten of gedragingen die wijzen op onregelmatigheden, met inbegrip van fraude of fouten, ongeacht eerdere ervaringen van de wettelijke auditor of het auditkantoor met de eerlijkheid en integriteit van het management van de gecontroleerde entiteit en van de met het bestuur van de entiteit belaste personen.

De wettelijke auditor of het auditkantoor behoudt een professioneel-kritische instelling, in het bijzonder bij de beoordeling van schattingen van het management met betrekking tot reële waarden, de waardevermindering van activa, voorzieningen en toekomstige kasstromen die relevant zijn voor het vermogen van de entiteit tot continuïteit van het bedrijf.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „professioneel-kritische instelling” verstaan een houding die een onderzoekende geest, alertheid op omstandigheden die kunnen wijzen op mogelijke afwijkingen als gevolg van fouten of fraude, en een kritische beoordeling van de controle-informatie omvat.

Artikel 22

Onafhankelijkheid en objectiviteit

  1. De lidstaten zien erop toe dat, bij het uitvoeren van een wettelijke controle van financiële overzichten, een wettelijke auditor of een auditkantoor, dan wel een natuurlijke persoon in een positie om directe of indirecte invloed uit te oefenen op de uitkomst van de wettelijke controle, onafhankelijk zijn van de gecontroleerde entiteit en niet betrokken zijn bij de besluitvorming van de gecontroleerde entiteit.

    Onafhankelijkheid is in elk geval vereist zowel gedurende de periode waarop de te controleren financiële overzichten betrekking hebben als gedurende de periode waarin de wettelijke controle wordt uitgevoerd.

    De lidstaten zorgen ervoor dat een wettelijke auditor of een auditkantoor alle redelijkerwijs te verwachten maatregelen neemt om te waarborgen dat bij de uitvoering van een wettelijke controle van de financiële overzichten zijn of haar onafhankelijkheid niet wordt beïnvloed door een bestaand of potentieel belangenconflict of een zakelijke of andere directe of indirecte relatie waarbij de wettelijke auditor of het auditkantoor dat de wettelijke controle uitvoert, en, voor zover van toepassing, zijn netwerk, leidinggevenden, auditors, werknemers en alle andere natuurlijke personen van wie de diensten ter beschikking worden gesteld aan of onder beheer worden gesteld van de wettelijke auditor of het auditkantoor, of een persoon die direct of indirect door zeggenschap verbonden is met de wettelijke auditor of het auditkantoor, betrokken is.

    De wettelijke auditor of het auditkantoor ziet af van een wettelijke controle indien er enig risico is van zelftoetsing, eigenbelang, belangenbehartiging, bekendheid of intimidatie als gevolg van financiële, persoonlijke, zakelijke, arbeids- of andere relaties tussen:

    1. de wettelijke auditor, het auditkantoor, het netwerk ervan, en elke natuurlijke persoon die zich in een positie bevindt waardoor hij of zij de uitkomsten van de wettelijke controle kan beïnvloeden, en

    2. de gecontroleerde entiteit;op grond waarvan een objectieve, redelijke en geïnformeerde derde partij, met inachtneming van de getroffen veiligheidsmaatregelen, zou concluderen dat de onafhankelijkheid van de wettelijke auditor of het auditkantoor in het gedrang komt.

  2. De lidstaten dragen er zorg voor dat wettelijke auditors, auditkantoren, hun voornaamste vennoten, hun werknemers, alsmede alle overige natuurlijke personen van wie de diensten ter beschikking van of onder het beheer van een wettelijke auditor of auditkantoor zijn gesteld en die direct betrokken zijn bij wettelijke controlewerkzaamheden, en personen die nauw met hen gelieerd zijn in de betekenis van artikel 1, lid 2, van Richtlijn 2004/72/EG van de Commissie Richtlijn 2004/72/EG van de Commissie van 29 april 2004 tot uitvoering van Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad wat gebruikelijke marktpraktijken, de definitie van voorwetenschap met betrekking tot van grondstoffen afgeleide instrumenten, het opstellen van lijsten van personen met voorwetenschap, de melding van transacties van leidinggevende personen en de melding van verdachte transacties (PB L 162 van 30.4.2004, blz. 70)., geen materieel en rechtstreeks financieel belang mogen genieten of bezitten in of financiële instrumenten mogen kopen of verkopen die worden uitgegeven, gegarandeerd of anderszins ondersteund door een gecontroleerde entiteit binnen hun gebied van wettelijke controlewerkzaamheden, met uitzondering van rechten van deelneming in instellingen voor gediversifieerde collectieve belegging, met inbegrip van beheerde fondsen zoals pensioenfondsen of levensverzekeringen, noch betrokken zijn bij het sluiten van een transactie in dergelijke financiële instrumenten.

  3. De lidstaten zien erop toe dat een wettelijke auditor of een auditkantoor alle aanzienlijke bedreigingen voor zijn onafhankelijkheid en de veiligheidsmaatregelen die zijn genomen om deze bedreigingen in te perken, onderbouwt in de controledocumenten.

  4. De lidstaten zien erop toe dat personen en kantoren als bedoeld in lid 2 niet deelnemen in of op andere wijze invloed uitoefenen op de uitkomst van een wettelijke controle van het financieel overzicht van een bepaalde gecontroleerde entiteit, indien zij:

    1. andere financiële instrumenten van de gecontroleerde entiteit bezitten dan rechten van deelneming in instellingen voor gediversifieerde collectieve belegging;

    2. financiële instrumenten bezitten van een entiteit die verbonden is met een gecontroleerde entiteit waarvan de eigendom een belangenconflict kan veroorzaken of over het algemeen kan worden opgevat als een belangenconflict veroorzakend, met uitzondering van rechten van deelneming in instellingen voor gediversifieerde collectieve belegging;

    3. een dienstverband bij de gecontroleerde entiteit hebben gehad of daarmee een zakelijke of andere relatie hebben gehad binnen de in lid 1 bedoelde periode die een belangenconflict kan veroorzaken of over het algemeen kan worden opgevat als een belangenconflict veroorzakend.

  5. Personen of kantoren als bedoeld in lid 2 mogen geen geldelijke en andere geschenken of gunsten vragen of accepteren van een gecontroleerde entiteit of van een met een gecontroleerde entiteit verbonden entiteit, tenzij een objectieve, redelijke en geïnformeerde derde de waarde daarvan als verwaarloosbaar of onbeduidend zou beschouwen.

  6. Indien een gecontroleerde entiteit tijdens de periode waarop de financiële overzichten betrekking hebben wordt overgenomen door, fuseert met, of het eigendom verwerft van een andere entiteit, identificeert en evalueert de wettelijke auditor of het auditkantoor alle huidige en recente belangen en relaties, met inbegrip van aan die entiteit verstrekte niet-controlediensten waardoor, met inachtneming van de getroffen veiligheidsmaatregelen, zijn onafhankelijkheid en zijn bevoegdheid om de wettelijke controle voort te zetten na de ingangsdatum van de fusie of overname zou kunnen worden aangetast.

    De wettelijke auditor of het auditkantoor treft zo snel mogelijk, en in elk geval binnen drie maanden, alle nodige maatregelen ter beëindiging van eventuele bestaande belangen of relaties waardoor zijn onafhankelijkheid zou worden aangetast, en treft voor zover mogelijk veiligheidsmaatregelen ter beperking van elke bedreiging van zijn onafhankelijkheid door belangen en relaties in het heden en het verleden.

Artikel 22 bis

Dienstverband van voormalige wettelijke auditors of van werknemers van wettelijke auditors of auditkantoren bij gecontroleerde entiteiten

  1. De lidstaten zien erop toe dat de wettelijke auditor of de voornaamste vennoot die namens een auditkantoor een wettelijke controle van financiële overzichten uitvoert, alvorens een periode van ten minste één jaar, of, in het geval van een wettelijke controle van organisaties van openbaar belang, alvorens een periode van ten minste twee jaar is verstreken sedert de betrokkene niet langer optreedt als wettelijke auditor of voornaamste vennoot, niet:

    1. een voorname leidinggevende functie in de gecontroleerde entiteit aanvaardt;

    2. lid wordt van het auditcomité van de gecontroleerde entiteit of, wanneer een dergelijk comité niet bestaat, van het orgaan dat soortgelijke bevoegdheden heeft als een auditcomité;

    3. een niet bij het dagelijks bestuur betrokken lid van het leidinggevende orgaan en/of lid van het toezichthoudende orgaan van de gecontroleerde entiteit wordt.

  2. De lidstaten zorgen ervoor dat werknemers en vennoten die niet behoren tot de voornaamste vennoten van een wettelijke auditor of een auditorkantoor en die een wettelijke controle van financiële overzichten uitvoeren, alsmede andere natuurlijke personen van wie diensten ter beschikking of onder beheer van een dergelijke wettelijke auditor of een dergelijk auditkantoor worden gesteld, wanneer deze werknemers, vennoten of andere natuurlijke personen persoonlijk toegelaten zijn als wettelijke auditors, pas functies als bedoeld in lid 1, onder a), b) en c), aanvaarden nadat een periode van ten minste één jaar is verstreken sinds hij of zij direct betrokken was bij de wettelijke controleopdracht.

Artikel 22 ter

Ter voorbereiding van de wettelijke controle en de beoordeling van bedreigingen voor de onafhankelijkheid

De lidstaten zien erop toe dat een wettelijke auditor of een auditkantoor alvorens een opdracht voor een wettelijke controle te aanvaarden of te verlengen, een evaluatie uitvoert en documentatie beschikbaar heeft betreffende de volgende punten:

  • of hij, zij of het voldoet aan de eisen van artikel 22 van deze richtlijn;

  • of er sprake is van bedreigingen van zijn of haar onafhankelijkheid en wat er gedaan wordt om deze bedreigingen te beperken;

  • of hij, zij of het beschikt over de bevoegde werknemers, tijd en middelen om de wettelijke controle op de juiste wijze uit te voeren;

  • of, in het geval van een auditkantoor, de voornaamste vennoot is toegelaten als wettelijke auditor in de lidstaat die de wettelijke controle vereist.

Voor de in artikel 2, lid 1, onder b) en c), bedoelde controles kunnen de lidstaten vereenvoudigde vereisten vaststellen.

Artikel 23

Vertrouwelijkheid en beroepsgeheim

  1. De lidstaten zien erop toe dat alle gegevens en documenten waartoe een wettelijke auditor of het auditkantoor toegang heeft bij de uitvoering van een wettelijke controle van jaarrekeningen, beschermd zijn door middel van passende regels op het gebied van vertrouwelijkheid en beroepsgeheim.

  2. De regels op het gebied van geheimhouding en beroepsgeheim welke op de wettelijke auditors en auditkantoren betrekking hebben, mogen de uitvoering van de bepalingen van deze richtlijn en van Verordening (EU) nr. 537/2014 niet in de weg staan.

  3. Wanneer een wettelijke auditor of een auditkantoor wordt vervangen door een andere wettelijke auditor of een ander auditkantoor, verleent de voormalige wettelijke auditor of het voormalige kantoor de nieuwe wettelijke auditor of het nieuwe kantoor toegang tot alle relevante informatie aangaande de gecontroleerde entiteit en de meest recente controle van die entiteit.

  4. Een wettelijke auditor of een auditkantoor die/dat niet langer bij een specifieke controle betrokken is, en een voormalig wettelijke auditor of kantoor blijft onderworpen aan het bepaalde in de leden 1 en 2 voor wat die specifieke controle betreft.

  5. Wanneer een wettelijke auditor of een auditkantoor een wettelijke controle van financiële overzichten uitvoert van een onderneming die deel uitmaakt van een groep waarvan de moederonderneming in een derde land is gevestigd, vormen de regels op het gebied van vertrouwelijkheid en beroepsgeheim als bedoeld in lid 1 geen beletsel voor de overdracht van relevante documentatie van de verrichte controlewerkzaamheden door de wettelijke auditor of het auditkantoor aan de groepsauditor die in een derde land is gevestigd, als deze documentatie nodig is voor het verrichten van de controle van de geconsolideerde financiële overzichten van de moederonderneming.

    Een wettelijke auditor die of een auditkantoor dat een wettelijke controle uitvoert van een onderneming die effecten heeft uitgegeven in een derde land of die deel uitmaakt van een groep die verplichte geconsolideerde financiële overzichten publiceert in een derde land, mag controle- of andere documenten die betrekking hebben op de controle van die organisatie en in zijn of haar bezit zijn, uitsluitend aan de bevoegde autoriteiten in de betrokken derde landen overdragen onder de voorwaarden van artikel 47.

    De overdracht van informatie aan de in een derde land gevestigde groepsauditor dient te voldoen aan de bepalingen van hoofdstuk IV van Richtlijn 95/46/EG en de toepasselijke nationale regels op het gebied van de bescherming van persoonsgegevens.

Artikel 24

Onafhankelijkheid en objectiviteit van wettelijke auditors die namens auditkantoren wettelijke controles van jaarrekeningen uitvoeren

De lidstaten zien erop toe dat noch de eigenaars of aandeelhouders van een auditkantoor, noch de leden van de leidinggevende, bestuurs- en toezichtorganen van het betrokken kantoor, noch verbonden entiteiten een zodanige bemoeienis met de uitvoering van een wettelijke controle van jaarrekeningen hebben dat daardoor afbreuk wordt gedaan aan de onafhankelijkheid en objectiviteit van de wettelijke auditor die namens het betrokken auditkantoor de wettelijke controle van jaarrekeningen uitvoert.

Artikel 24 bis

Interne organisatie van wettelijke auditors en auditkantoren

  1. De lidstaten dragen er zorg voor dat een wettelijke auditor of auditkantoor aan de volgende organisatorische eisen voldoet:

    1. een auditkantoor stelt passende gedragslijnen en procedures vast om te waarborgen dat noch de eigenaren of aandeelhouders van een auditkantoor, noch de leden van de leidinggevende, bestuurs- en toezichtorganen van het betrokken kantoor, noch verbonden entiteiten een zodanige bemoeienis met de uitvoering van een wettelijke controle van financiële overzichten hebben dat daardoor afbreuk wordt gedaan aan de onafhankelijkheid en objectiviteit van de wettelijke auditor die namens het betrokken auditkantoor de wettelijke controle van de financiële overzichten uitvoert;

    2. een wettelijke auditor of een auditkantoor heeft goede administratieve en boekhoudprocedures, interne kwaliteitscontrolemechanismen, effectieve procedures voor risicobeoordeling, en effectieve beheersings- en veiligheidsmaatregelen voor informatieverwerkingssystemen.

      Die interne kwaliteitscontrolemechanismen zijn zodanig opgezet dat zij de naleving van besluiten en procedures op alle niveaus van het auditkantoor of van de werkstructuur van de wettelijke auditor verzekeren;

    3. een wettelijke auditor of een auditkantoor stelt passende gedragslijnen en procedures vast om te waarborgen dat zijn of haar werknemers en alle andere natuurlijke personen van wie de diensten tot zijn of haar beschikking of onder zijn of haar beheer worden gesteld en die direct betrokken zijn bij de wettelijke controlewerkzaamheden, beschikken over de juiste kennis en ervaring voor de toegewezen taken;

    4. een wettelijke auditor of een auditkantoor stelt passende gedragslijnen en procedures vast om te waarborgen dat belangrijke controletaken niet op zodanige wijze worden uitbesteed dat dit afbreuk doet aan de kwaliteit van de interne kwaliteitscontrole van de wettelijke auditor of het auditkantoor of aan het vermogen van de bevoegde autoriteiten om toe te zien op de naleving van de in deze richtlijn alsmede, in voorkomend geval, in Verordening (EU) nr. 537/2014 neergelegde verplichtingen door de wettelijke auditor of het auditkantoor;

    5. een wettelijke auditor of een auditkantoor stelt passende en effectieve organisatorische en administratieve regelingen vast om bedreigingen voor zijn onafhankelijkheid als bedoeld in de artikelen 22, 22 bis en 22 ter te voorkomen, vast te stellen, weg te nemen, of te beheersen en bekend te maken;

    6. een wettelijke auditor of een auditkantoor stelt passende gedragslijnen en procedures vast voor het uitvoeren van wettelijke controles van financiële overzichten, het begeleiden van, het houden van toezicht op en het beoordelen van de werkzaamheden van werknemers en het opzetten van de structuur van het controledossier als bedoeld in artikel 24 ter, lid 5;

    7. een wettelijke auditor of een auditkantoor voert een intern kwaliteitsbeheersingssysteem in om de kwaliteit van de wettelijke controle te waarborgen.

      Het kwaliteitsbeheersingssysteem bestrijkt ten minste de gedragslijnen en procedures als bedoeld onder f). In het geval van een auditkantoor ligt de verantwoordelijkheid voor het interne kwaliteitsbeheersingssysteem bij een persoon die bevoegd is als wettelijke auditor;

    8. een wettelijke auditor of een auditkantoor gebruikt passende systemen, middelen en procedures om de continuïteit en regelmatigheid van zijn of haar wettelijke controlewerkzaamheden te waarborgen;

    9. een wettelijke auditor of een auditkantoor stelt ook passende en effectieve organisatorische en administratieve regelingen vast voor het omgaan met en registreren van incidenten die ernstige gevolgen hebben of kunnen hebben voor de integriteit van zijn of haar wettelijke controlewerkzaamheden;

    10. een wettelijke auditor of een auditkantoor heeft een passend beloningsbeleid, ook ten aanzien van winstdeling, dat voldoende prestatieprikkels verschaft om de kwaliteit van controles te verzekeren. Met name de hoogte van de inkomsten die de wettelijke auditor of het auditkantoor ontleent aan het verstrekken van andere diensten dan controlediensten aan de gecontroleerde entiteit, vormt geen onderdeel van de prestatiebeoordeling en de beloning van personen die betrokken zijn bij of invloed kunnen uitoefenen op het verloop van de wettelijke controle;

    11. een wettelijke auditor of een auditkantoor ziet toe op en evalueert de toereikendheid en doeltreffendheid van zijn of haar systemen, interne kwaliteitscontrolemechanismen en regelingen die zijn vastgesteld in overeenstemming met deze richtlijn en, in voorkomend geval, Verordening (EU) nr. 537/2014, en neemt passende maatregelen om eventuele tekortkomingen te verhelpen. Een wettelijke auditor of een auditkantoor voert in het bijzonder jaarlijks een evaluatie uit van het interne kwaliteitsbeheersingssysteem als bedoeld onder g). Een wettelijke auditor of een auditkantoor documenteert de bevindingen van deze evaluaties en de voorgestelde maatregelen om het interne kwaliteitsbeheersingssysteem aan te passen.

      De gedragslijnen en procedures als bedoeld in de eerste alinea worden gedocumenteerd en aan de werknemers van de wettelijke auditor of het auditkantoor bekendgemaakt.

      Voor de in artikel 2, lid 1, onder b) en c), bedoelde controles kunnen de lidstaten vereenvoudigde eisen vaststellen.

      Een eventuele uitbesteding van controletaken als bedoeld onder d) van dit lid is niet van invloed op de verantwoordelijkheid van de wettelijke auditor of het auditkantoor tegenover de gecontroleerde entiteit.

  2. De wettelijke auditor of het auditkantoor houdt bij de naleving van de eisen van lid 1 rekening met de omvang en de complexiteit van zijn of haar activiteiten.

    De wettelijke auditor of het auditkantoor kan tegenover de bevoegde autoriteit aantonen dat de gedragslijnen en procedures met het oog op dergelijke naleving in overeenstemming zijn met de omvang en de complexiteit van de activiteiten van de wettelijke auditor of het auditkantoor.

Artikel 24 ter

Organisatie van het werk

  1. De lidstaten dragen er zorg voor dat, wanneer de wettelijke controle van het financiële overzicht wordt uitgevoerd door een auditkantoor, dit auditkantoor ten minste één bij de uitvoering van de wettelijke controle betrokken voornaamste vennoot aanwijst. Het auditkantoor verstrekt de voornaamste vennoten voldoende middelen en personeelsleden die over de benodigde deskundigheid en bekwaamheid beschikken om hun taken juist uit te voeren.

    Borging van de kwaliteit van de controle, de onafhankelijkheid en de bekwaamheid is voor het auditkantoor het belangrijkste criterium bij het selecteren van de aan te wijzen voornaamste vennoot/vennoten.

    De voornaamste vennoot/vennoten wordt/worden actief betrokken bij de uitvoering van de wettelijke controle.

  2. Bij de uitvoering van de wettelijke controle besteedt de wettelijke auditor voldoende tijd aan de opdracht en wijst hij of zij voldoende personeel aan om zijn of haar taken juist uit te voeren.

  3. De lidstaten zien erop toe dat de wettelijke auditor of het auditkantoor alle inbreuken op de bepalingen van deze richtlijn en, in voorkomend geval, op Verordening (EU) nr. 537/2014, vastlegt. De lidstaten kunnen wettelijke auditors en auditkantoren van deze verplichting vrijstellen wanneer het gaat om kleine inbreuken. De wettelijke auditor of het auditkantoor registreert tevens alle gevolgen van een inbreuk, met inbegrip van de maatregelen die zijn genomen om de inbreuk te beëindigen en om het interne kwaliteitsbeheersingssysteem aan te passen. De wettelijke auditor of het auditkantoor stelt een jaarverslag op met een overzicht van alle genomen maatregelen en maakt dit intern bekend.

    Wanneer de wettelijke auditor of het auditkantoor externe deskundigen om advies vraagt, documenteert de wettelijke auditor of het auditkantoor het gedane verzoek en het ontvangen advies.

  4. Een wettelijke auditor of een auditkantoor houdt een cliëntdossier bij. Dit dossier bevat voor elke auditcliënt de volgende gegevens:

    1. de naam, het adres en de hoofdvestiging;

    2. in geval van een auditkantoor, de na(a)m(en) van de voornaamste vennoot/vennoten;

    3. de in rekening gebrachte honoraria voor de wettelijke controle en de in rekening gebrachte honoraria voor andere diensten in een financieel jaar.

  5. Een wettelijke auditor of een auditkantoor legt voor elke wettelijke controle een controledossier aan.

    De wettelijke auditor of het auditkantoor legt in elk geval de gegevens vast welke uit hoofde van artikel 22 ter, lid 1, van deze richtlijn, en, in voorkomend geval, de artikelen 6 tot 8 van Verordening (EU) nr. 537/2014 zijn geregistreerd.

    De wettelijke auditor of het auditkantoor bewaart alle andere gegevens en documenten die van belang zijn ter ondersteuning van de in artikel 28 van deze richtlijn en, in voorkomend geval, de artikelen 10 en 11 van Verordening (EU) nr. 537/2014 bedoelde verklaring, alsmede voor het toezicht op de naleving van deze richtlijn en van de overige toepasselijke wettelijke voorschriften.

    Het controledossier wordt uiterlijk 60 dagen na de datum van ondertekening van de controleverklaring als bedoeld in artikel 28 van deze richtlijn en, in voorkomend geval, artikel 10 van Verordening (EU) nr. 537/2014 gesloten.

  6. De wettelijke auditor of het auditkantoor registreert alle schriftelijke klachten over de uitvoering van de verrichte wettelijke controle van financiële overzichten.

  7. Voor de in artikel 2, lid 1, onder b) en c), bedoelde controles kunnen de lidstaten vereenvoudigde eisen vaststellen ten aanzien van de leden 3 en 6.

Artikel 25

Honoraria voor wettelijke controles van jaarrekeningen

De lidstaten zien erop toe dat er adequate regels bestaan die bepalen dat de honoraria voor wettelijke controles van jaarrekeningen:

  1. niet worden beïnvloed of bepaald door het feit dat nevendiensten aan de gecontroleerde entiteit worden verleend;

  2. niet resultaatgebonden zijn.

Artikel 25 bis

Reikwijdte van de wettelijke controle

Onverminderd de verslagleggingseisen als bedoeld in artikel 28 van deze richtlijn en, in voorkomend geval, de artikelen 10 en 11 van Verordening (EU) nr. 537/2014, biedt de wettelijke controle geen zekerheid omtrent de toekomstige levensvatbaarheid van de gecontroleerde entiteit noch van de efficiëntie of de doeltreffendheid waarmee het bestuurs- of leidinggevende orgaan de bedrijfsvoering van de entiteit ter hand heeft genomen of zal nemen.

Hoofdstuk V Controlestandaarden en controleverklaringen

Artikel 26

Controlestandaarden

  1. De lidstaten schrijven voor dat wettelijke auditors en auditkantoren hun wettelijke controles uitvoeren met inachtneming van de internationale controlestandaarden die door de Commissie zijn goedgekeurd overeenkomstig lid 3.

    De lidstaten kunnen een nationale controlestandaard, of nationale controleprocedures of -vereisten toepassen zolang de Commissie geen internationale controlestandaard betreffende hetzelfde aspect heeft goedgekeurd.

  2. Voor de toepassing van lid 1 betekent „internationale controlestandaarden” de International Standards on Auditing (ISAs), de International Standard on Quality Control 1 (ISQC 1) en andere daarmee verband houdende standaarden die zijn uitgebracht door de International Federation of Accountants (IFAC) via de International Auditing and Assurance Standards Board (IAASB), voor zover zij relevant zijn voor wettelijke controles van financiële overzichten.

  3. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 48 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen, houdende de in lid 1 bedoelde internationale controlestandaarden op het gebied van de controlepraktijk, onafhankelijkheid en interne kwaliteitscontroles van wettelijke auditors en auditkantoren ten behoeve van de toepassing van die standaarden in de Unie.

    De Commissie kan de internationale controlestandaarden enkel goedkeuren indien zij:

    1. volgens geijkte procedures, onder publiek toezicht en op transparante wijze zijn opgesteld en internationaal algemeen aanvaard zijn;

    2. bijdragen tot een grote geloofwaardigheid en hoge kwaliteit van de jaarlijkse of geconsolideerde financiële overzichten in overeenstemming met de beginselen die zijn neergelegd in artikel 4, lid 3, van Richtlijn 2013/34/EU;

    3. bevorderlijk zijn voor het algemeen belang van de Unie; en

    4. geen wijziging inhouden van de vereisten van deze richtlijn of een aanvulling vormen op die vereisten afgezien van die in hoofdstuk IV en de artikelen 27 en 28.

  4. Niettegenstaande lid 1, tweede alinea, mogen de lidstaten controlewerkzaamheden of -vereisten verplicht stellen naast de door de Commissie vastgestelde internationale controlestandaarden, maar alleen

    1. indien die controlewerkzaamheden of -vereisten nodig zijn om uitvoering te geven aan nationale wettelijke vereisten betreffende de reikwijdte van de wettelijke controles; of

    2. in de mate die nodig is om bij te dragen aan de geloofwaardigheid en de kwaliteit van de financiële overzichten.

      De lidstaten doen van de controlewerkzaamheden of -vereisten, ten minste drie maanden voor de inwerkingtreding ervan of, in geval van vereisten die reeds bestonden op het tijdstip van vaststelling van een internationale controlestandaard, uiterlijk binnen drie maanden na de vaststelling van de desbetreffende internationale controlestandaard, mededeling aan de Commissie.

  5. Indien een lidstaat de wettelijke controle van kleine ondernemingen verlangt, kan hij bepalen dat toepassing van de in lid 1 bedoelde controlestandaarden evenredig moet zijn met de omvang en de complexiteit van de activiteiten van die ondernemingen. De lidstaten kunnen maatregelen nemen om te zorgen voor de evenredige toepassing van de controlestandaarden op de wettelijke controles van kleine ondernemingen.

Artikel 27

Wettelijke controles van geconsolideerde financiële overzichten

  1. De lidstaten zien erop toe dat in geval van wettelijke controles van de geconsolideerde financiële overzichten van een groep van ondernemingen:

    1. met betrekking tot de geconsolideerde financiële overzichten, de groepsauditor de volledige verantwoordelijkheid draagt voor de controleverklaring als bedoeld in artikel 28 van deze richtlijn en, waar van toepassing, artikel 10 van Verordening (EU) nr. 537/2014 en voor, waar van toepassing, de aanvullende verklaring aan het auditcomité als bedoeld in artikel 11 van die verordening;

    2. de groepsauditor evalueert de controlewerkzaamheden die voor het doel van de groepscontrole zijn uitgevoerd door auditor(s) van een derde land of (een) wettelijke auditor(s) en (een) auditorganisatie(s) of auditkantoor (auditkantoren) van een derde land en houdt documenten bij over de aard, tijdstippen en reikwijdte van de betrokkenheid bij de door die auditors uitgevoerde werkzaamheden, indien van toepassing met inbegrip van de beoordeling door de groepsauditor van relevante onderdelen van de controledocumenten van de betreffende auditors;

    3. de groepsauditor evalueert de controlewerkzaamheden die voor het doel van de groepscontrole zijn uitgevoerd door auditor(s) of wettelijke auditors van derde landen, en van auditorganisatie(s) of auditkanto(o)r(en) van een derde land en houdt hierover documenten bij.

      De door de groepsauditor bijgehouden informatie moet adequaat zijn om de relevante bevoegde autoriteit in staat te stellen het werk van de groepsauditor te beoordelen.

      De groepsauditor verzoekt voor de toepassing van de eerste alinea van dit lid, onder c), de auditor(s) van derde landen, wettelijke auditor(s), auditorganisatie(s) of auditkanto(o)r(en) van een derde land om instemming met de overdracht van relevante documentatie tijdens de uitvoering van de controle van de geconsolideerde financiële overzichten, als voorwaarde voor de groepsauditor om zich te kunnen baseren op het werk van die auditor(s) van derde landen, wettelijke auditor(s), auditorganisatie(s) of auditkanto(o)r(en) van een derde land.

  2. Wanneer de groepsauditor niet kan voldoen aan de onder c) van de eerste alinea van lid 1 gestelde eisen, neemt hij of zij passende maatregelen en stelt hij of zij de betrokken bevoegde autoriteit daarvan in kennis.

    Deze maatregelen kunnen, in voorkomend geval, onder meer inhouden dat, hetzij direct, hetzij door deze taken uit te besteden, aanvullende wettelijke controlewerkzaamheden bij de betrokken dochteronderneming worden uitgevoerd.

  3. Wanneer de groepsauditor het onderwerp is van een kwaliteitsbeoordeling of een onderzoek naar de wettelijke controle van de geconsolideerde financiële overzichten van een groep van ondernemingen, stelt de groepsauditor op verzoek de relevante documentatie die hij of zij bijhoudt over de controlewerkzaamheden die voor de doeleinden van de groepscontrole zijn verricht door de respectieve auditor(s) van derde landen, wettelijke auditor(s), auditorganisatie(s) of auditkanto(o)r(en) van een derde land, ter beschikking van de bevoegde autoriteit, met inbegrip van eventuele werkdocumenten die relevant zijn voor de groepscontrole.

    De bevoegde autoriteit kan de betrokken bevoegde autoriteiten om aanvullende documentatie verzoeken over de controlewerkzaamheden die voor het doel van de groepscontrole zijn verricht door wettelijke auditor(s) of auditkanto(o)r(en), overeenkomstig artikel 36.

    Wanneer een moederonderneming of een dochteronderneming van een groep van ondernemingen wordt gecontroleerd door auditor(s) of auditorganisatie(s) van een derde land, kan de bevoegde autoriteit de betrokken bevoegde autoriteiten van derde landen verzoeken om aanvullende documentatie over de controlewerkzaamheden die zijn verricht door auditor(s) van een derde land of auditorganisatie(s) van een derde land, door middel van de werkregelingen als bedoeld in artikel 47.

    In afwijking van de derde alinea, is de groepsauditor, wanneer een moederonderneming of een dochteronderneming van een groep van ondernemingen wordt gecontroleerd door auditor(s) of auditorganisatie(s) van een derde land dat geen werkregeling als bedoeld in artikel 47 heeft, op verzoek ook verantwoordelijk voor het waarborgen van een correcte levering van de aanvullende documentatie van de door dergelijke auditor(s) of auditorganisatie(s) van derde landen verrichte controlewerkzaamheden, met inbegrip van de werkdocumenten die relevant zijn voor de groepscontrole. Om deze levering te verzekeren, behoudt de groepsauditor een kopie van deze documentatie of komt hij of zij met de auditor(s) of auditorganisatie(s) van derde landen overeen dat hij of zij op verzoek verleende en onbeperkte toegang heeft tot dergelijke documentatie, of neemt hij of zij andere passende maatregelen. Wanneer controledocumenten om juridische of andere redenen niet door een derde land kunnen worden doorgegeven aan de groepsauditor, omvat de door de groepsauditor bewaarde documentatie, bewijs dat hij of zij de juiste procedures heeft gevolgd om toegang te krijgen tot de controledocumenten, en bewijs van eventuele niet-juridische beletsels die voortvloeien uit de wetgeving van het betrokken derde land.

Artikel 28

Controleverklaringen

  1. De wettelijke auditor of het auditkantoor presenteert de resultaten van de wettelijke controle in een controleverklaring. De verklaring wordt opgesteld overeenkomstig de door de Unie of de betrokken lidstaat vastgestelde vereisten betreffende controlestandaarden, als bedoeld in artikel 26.

  2. De controleverklaring wordt op schrift gesteld en:

    1. zij identificeert de entiteit waarvan de financiële overzichten of de geconsolideerde financiële overzichten het voorwerp van wettelijke controle zijn; zij vermeldt de financiële overzichten of geconsolideerde financiële overzichten en de datum en periode waarop zij betrekking hebben; zij identificeert het stelsel inzake financiële verslaglegging dat is toegepast bij het opstellen;

    2. zij bevat een beschrijving van de reikwijdte van de wettelijke controle, waarin ten minste wordt aangegeven welke controlestandaarden bij de uitvoering van de wettelijke controle in acht zijn genomen;

    3. zij bevat een controleoordeel dat een oordeel zonder voorbehoud, een oordeel met voorbehoud of een afkeurend oordeel kan zijn en waarin de wettelijke auditor(s) of het (de) auditkanto(o)r(en) duidelijk zijn (hun) oordeel geeft (geven) met betrekking tot het volgende:

      1. of de financiële overzichten een getrouw beeld geven overeenkomstig het relevante stelsel inzake financiële verslaglegging; en

      2. in voorkomend geval, of de financiële overzichten aan de wettelijke vereisten voldoen.Indien de wettelijke auditor(s) of het (de) auditkanto(o)r(en) geen controleoordeel kan (kunnen) formuleren, bevat de controleverklaring een verklaring van oordeelsonthouding;

    4. vermeldt andere zaken waarop de wettelijke auditor(s) of het (de) auditkanto(o)r(en) nadrukkelijk de aandacht vestigt (vestigen), zonder in het controleoordeel een voorbehoud te maken;

    5. bevat een oordeel en een verklaring, die beide zijn gebaseerd op de in de loop van de controle verrichte werkzaamheden, als bedoeld in artikel 34, lid 1, tweede alinea, van Richtlijn 2013/34/EU;

    6. bevat een verklaring betreffende materiële onzekerheden die verband houden met gebeurtenissen of omstandigheden die mogelijk aanzienlijke twijfel doen rijzen over het vermogen van de entiteit om haar bedrijfsactiviteiten voort te zetten;

    7. zij vermeldt de vestigingsplaats van de wettelijke auditor(s) of het (de) auditkanto(o)ren.De lidstaten kunnen aanvullende eisen stellen met betrekking tot de inhoud van de controleverklaring.

  3. Indien de wettelijke controle door meer dan één wettelijke auditor of auditkantoor is uitgevoerd, dienen de wettelijke auditor(s) of de auditkanto(o)r(en) overeenstemming te bereiken over de resultaten van de wettelijke controle en een gezamenlijke verklaring en een gezamenlijk oordeel af te geven. In geval van verschil van mening geeft elke wettelijke auditor of elk auditkantoor zijn of haar oordeel af in een aparte alinea van de controleverklaring met vermelding van de redenen voor het verschil van mening.

  4. De controleverklaring wordt door de wettelijke auditor ondertekend en gedagtekend. Indien de wettelijke controle wordt uitgevoerd door een auditkantoor, wordt de controleverklaring ondertekend door ten minste de wettelijke auditor(s) die namens het auditkantoor de wettelijke controle heeft (hebben) verricht. Indien meer dan één wettelijke auditor of auditkantoor tegelijkertijd de wettelijke controle hebben uitgevoerd, wordt de controleverklaring ondertekend door alle wettelijke auditors of ten minste de wettelijke auditors die de wettelijke controle namens elk auditkantoor hebben uitgevoerd. In uitzonderlijke omstandigheden kunnen de lidstaten bepalen dat deze handtekening(en) niet openbaar hoeft (hoeven) te worden gemaakt indien dit tot een imminente en aanzienlijke bedreiging voor de persoonlijke veiligheid van enige persoon zou kunnen leiden.De naam/namen van de betrokken persoon/personen is/zijn in ieder geval bekend bij de betrokken bevoegde autoriteiten.

  5. De controleverklaring van de wettelijke auditor of het auditkantoor over de geconsolideerde financiële overzichten voldoet aan de in de leden 1 tot en met 4 vastgelegde voorschriften. Bij de beoordeling van de samenhang tussen het bestuursverslag en de financiële overzichten overeenkomstig lid 2, punt e), houdt de wettelijke auditor of het auditkantoor rekening met de geconsolideerde financiële overzichten en het geconsolideerde bestuursverslag. Indien de jaarlijkse financiële overzichten van de moederonderneming bij de geconsolideerde financiële overzichten zijn gevoegd, kunnen de bij dit artikel verlangde controleverklaringen van de wettelijke auditors of auditkantoren worden gecombineerd.

Hoofdstuk VI Kwaliteitsborging

Artikel 29

Kwaliteitsborgingsstelsels

  1. Elke lidstaat ziet erop toe dat alle wettelijke auditors en auditkantoren vallen onder een kwaliteitsborgingsstelsel dat ten minste aan de volgende criteria voldoet:

    1. het kwaliteitsborgingsstelsel wordt op zodanige wijze georganiseerd dat het onafhankelijk is van de beoordeelde wettelijke auditors en auditkantoren, en dat het onderworpen is aan publiek toezicht;

    2. de financiering van het kwaliteitsborgingsstelsel is afdoende verzekerd en gevrijwaard tegen enigerlei ongewenste beïnvloeding door wettelijke auditors en auditkantoren;

    3. aan het kwaliteitsborgingsstelsel zijn voldoende middelen toegewezen;

    4. de personen die kwaliteitsbeoordelingen verrichten, beschikken over passende beroepskwalificaties en relevante beroepservaring op het gebied van wettelijke controle van jaarrekeningen en financiële verslaggeving, en hebben tevens een specifieke opleiding voor de uitvoering van kwaliteitsbeoordelingen genoten;

    5. de selectie van beoordelaars voor het verrichten van specifieke kwaliteitsbeoordelingen vindt plaats volgens een objectieve procedure, opgezet om belangenconflicten te voorkomen tussen de beoordelaars en de wettelijke auditors en auditkantoren die worden beoordeeld;

    6. de kwaliteitsbeoordeling, op basis van een adequate toetsing van een selectie van controledossiers, omvat onder meer een evaluatie van de naleving van de toepasselijke controlestandaarden en onafhankelijkheidseisen, van de kwantiteit en kwaliteit van ingezette middelen, van de door de auditor in rekening gebrachte honoraria voor controles en van het interne kwaliteitsbeheersingssysteem van het auditkantoor;

    7. over de kwaliteitsbeoordeling wordt een verslag opgesteld waarin de voornaamste conclusies van de kwaliteitsbeoordeling zijn opgenomen;

    8. kwaliteitsbeoordelingen vinden plaats aan de hand van een risicoanalyse en in geval van wettelijke auditors en auditkantoren die wettelijke controles verrichten zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, onder a), ten minste om de zes jaar;

    9. de algemene resultaten van het kwaliteitsborgingsstelsel worden jaarlijks openbaar gemaakt;

    10. de uit de kwaliteitsbeoordelingen voortvloeiende aanbevelingen worden binnen een redelijke termijn opgevolgd door de wettelijke auditor of het auditkantoor;

    11. kwaliteitsbeoordelingen zijn passend en evenredig ten opzichte van de schaal en de complexiteit van de activiteit van de beoordeelde wettelijke auditor of het beoordeelde auditkantoor.Ingeval er aan de onder j) bedoelde aanbevelingen geen gevolg wordt gegeven, worden tegen de wettelijke auditor of het auditkantoor, indien van toepassing, tuchtmaatregelen of sancties getroffen als bedoeld in artikel 30.

  2. Voor de toepassing van lid 1, onder e), zijn op de selectie van beoordelaars ten minste de volgende criteria van toepassing:

    1. beoordelaars beschikken over passende beroepskwalificaties en relevante beroepservaring op het gebied van wettelijke controle van financiële overzichten en financiële verslaglegging, en hebben tevens een specifieke opleiding voor de uitvoering van kwaliteitsbeoordelingen genoten;

    2. een persoon mag niet optreden als beoordelaar bij een kwaliteitsbeoordeling bij de wettelijke auditor of het auditkantoor totdat ten minste drie jaar zijn verstreken sinds deze persoon het vennootschap of dienstverband bij deze auditor of dit auditkantoor heeft beëindigd dan wel anderszins niet meer daarmee verbonden is;

    3. beoordelaars verklaren dat er geen belangenconflicten bestaan tussen hen en de te inspecteren wettelijke auditor of het te beoordelen auditkantoor.

  3. Voor de toepassing van lid 1, onder k), eisen de lidstaten van de bevoegde autoriteiten, bij het verrichten van kwaliteitsbeoordelingen van de wettelijke controles van financiële overzichten of geconsolideerde financiële overzichten van kleine en middelgrote ondernemingen, dat zij rekening houden met het feit dat de overeenkomstig artikel 26 vastgestelde controlestandaarden bedoeld zijn om te worden toegepast op een wijze die evenredig is met de omvang en de complexiteit van de activiteiten van de gecontroleerde entiteit.

Hoofdstuk VII Onderzoeken en sancties

Artikel 30

Onderzoeks- en sanctieregelingen

  1. De lidstaten zien erop toe dat er doeltreffende onderzoeks- en sanctieregelingen bestaan om inadequaat uitgevoerde wettelijke controles van financiële overzichten op te sporen, te bestraffen en te voorkomen.

  2. Onverminderd hun wettelijke aansprakelijkheidsregelingen leggen de lidstaten doeltreffende, evenredige en ontmoedigende sancties op aan wettelijke auditors en auditkantoren wanneer wettelijke controles van de financiële overzichten niet conform de bepalingen genomen ter uitvoering van deze richtlijn en, waar van toepassing, Verordening (EU) nr. 537/2014, zijn uitgevoerd.

    De lidstaten kunnen besluiten geen regels voor administratieve sancties vast te stellen voor inbreuken die onder het nationale strafrecht vallen; in dat geval delen zij de Commissie mee welke strafrechtelijke bepalingen het betreft.

  3. De lidstaten bepalen dat genomen maatregelen en sancties die aan wettelijke auditors en auditkantoren zijn opgelegd, op passende wijze openbaar worden gemaakt. De sancties omvatten ook de mogelijkheid de toelating in te trekken. De lidstaten kunnen besluiten dat een dergelijke openbaarmaking geen persoonsgegevens bevat in de zin van artikel 2, onder a), van Richtlijn 95/46/EG.

  4. Uiterlijk op 17 juni 2016 stellen de lidstaten de Commissie van de in lid 2 bedoelde voorschriften of, in voorkomend geval, van de desbetreffende strafrechtsbepalingen in kennis. Zij delen haar alle latere wijzigingen daarvan onverwijld mee.

Artikel 30 bis

Sanctiebevoegdheden

  1. De lidstaten bepalen dat de bevoegde autoriteiten de bevoegdheid hebben om ten minste de volgende administratieve maatregelen en sancties te nemen en/of op te leggen voor inbreuken op de bepalingen van deze richtlijn en, waar van toepassing, Verordening (EU) nr. 537/2014:

    1. een kennisgeving waarin wordt geëist dat de voor de inbreuk verantwoordelijke natuurlijke of rechtspersoon het gedrag staakt en niet meer herhaalt;

    2. een publieke verklaring waarin de voor de inbreuk verantwoordelijke natuurlijke of rechtspersoon en de aard van de inbreuk worden vermeld en die wordt gepubliceerd op de website van de bevoegde autoriteiten;

    3. een voorlopig verbod van maximaal drie jaar voor de wettelijke auditor, het auditkantoor of de voornaamste vennoot om wettelijke controles van financiële overzichten uit te voeren en/of controleverklaringen te ondertekenen;

    4. een verklaring dat de controleverklaring niet voldoet aan de eisen van artikel 28 van deze richtlijn of, waar van toepassing, artikel 10 van Verordening (EU) nr. 537/2014;

    5. een voorlopig verbod van maximaal drie jaar voor een lid van een auditkantoor of een lid van een leidinggevend of bestuursorgaan van een organisatie van openbaar belang om functies in auditkantoren of organisaties van openbaar belang te bekleden;

    6. administratieve geldboeten voor natuurlijke en rechtspersonen.

  2. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten hun sanctiebevoegdheden kunnen uitoefenen overeenkomstig deze richtlijn en het nationale recht en op een van de volgende wijzen:

    1. rechtstreeks;

    2. in samenwerking met andere autoriteiten;

    3. middels een verzoek aan de bevoegde rechterlijke instanties.

  3. De lidstaten kunnen bevoegde autoriteiten andere sanctiebevoegdheden verlenen naast de in lid 1 genoemde bevoegdheden.

  4. In afwijking van lid 1 kunnen de lidstaten aan de autoriteiten die toezicht houden op organisaties van openbaar belang, wanneer zij niet zijn aangewezen als de bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 20, lid 2, van Verordening (EU) nr. 537/2014, bevoegdheden verlenen om sancties op te leggen voor inbreuken op verslagleggingsverplichtingen zoals bepaald in die verordening.

Artikel 30 ter

Effectieve toepassing van sancties

Bij de opstelling van de voorschriften uit hoofde van artikel 30 eisen de lidstaten dat de bevoegde autoriteiten bij de vaststelling van de aard en de zwaarte van administratieve sancties of maatregelen alle relevante omstandigheden in aanmerking nemen, zoals onder meer in voorkomend geval:

  1. de ernst en de duur van de inbreuk;

  2. de mate van verantwoordelijkheid van de voor de inbreuk verantwoordelijke natuurlijke of rechtspersoon;

  3. de financiële draagkracht van de voor de schending verantwoordelijke natuurlijke of rechtspersoon, zoals deze bijvoorbeeld blijkt uit de totale omzet van de voor de inbreuk verantwoordelijke onderneming of het jaarinkomen van de voor de inbreuk verantwoordelijke natuurlijke persoon;

  4. de omvang van de winsten of verliezen die door de voor de inbreuk verantwoordelijke natuurlijke of rechtspersoon zijn behaald, respectievelijk vermeden, voor zover deze kunnen worden bepaald;

  5. de mate waarin de verantwoordelijke natuurlijke of rechtspersoon met de bevoegde autoriteit meewerkt;

  6. eerdere overtredingen van de voor de inbreuk verantwoordelijke natuurlijke of rechtspersoon.

De bevoegde autoriteiten kunnen andere factoren in aanmerking nemen, indien zulke factoren in het nationale recht zijn vermeld.

Artikel 30 quater

Bekendmaking van sancties en maatregelen

  1. De bevoegde autoriteiten maken op hun officiële website ten minste elke administratieve sanctie bekend die is opgelegd wegens inbreuk op de bepalingen van deze richtlijn of van Verordening (EU) nr. 537/2014 in verband waarmee alle rechten van beroep zijn uitgeput of zijn verstreken, zodra zulks redelijkerwijs uitvoerbaar is nadat de betrokken persoon van dat besluit in kennis gesteld, waaronder informatie over het type en de aard van de inbreuk en de identiteit van een natuurlijke of rechtspersoon waaraan de sanctie is opgelegd.

    Indien de lidstaten bekendmaking van voor beroep vatbare sancties toestaan, maken de bevoegde autoriteiten op hun officiële website, zodra zulks redelijkerwijs uitvoerbaar is, eveneens informatie over een eventueel ingesteld beroep en het resultaat van de behandeling daarvan bekend.

  2. De bevoegde autoriteiten maken de sancties zonder vermelding van namen bekend op een manier die in overeenstemming is met het nationale recht, in enige van de volgende omstandigheden:

    1. indien, in het geval dat de sanctie wordt opgelegd aan een natuurlijke persoon, op basis van een verplichte voorafgaande evenredigheidsbeoordeling de bekendmaking van de persoonsgegevens onevenredig blijkt;

    2. indien de bekendmaking de stabiliteit van de financiële markten in gevaar zou brengen of een lopend strafrechtelijk onderzoek zou ondermijnen;

    3. indien de bekendmaking de betrokken instellingen of personen onevenredige schade zou berokkenen.

  3. De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat een eventuele bekendmaking overeenkomstig lid 1 van evenredige duur is en op hun officiële website blijft staan gedurende een periode van minimaal vijf jaar nadat alle rechten van beroep zijn uitgeput of verstreken.

    Bij de bekendmaking van sancties en maatregelen en een eventuele publieke verklaring worden de grondrechten als neergelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie gerespecteerd, in het bijzonder het recht op eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven en het recht op bescherming van persoonsgegevens. De lidstaten kunnen besluiten dat een dergelijke openbaarmaking of een eventuele publieke verklaring geen persoonsgegevens bevat in de zin van artikel 2, onder a), van Richtlijn 95/46/EG.

Artikel 30 quinuies

Recht van beroep

De lidstaten dragen er zorg voor dat tegen door de bevoegde autoriteit overeenkomstig deze richtlijn en Verordening (EU) nr. 537/2014 genomen besluiten beroep open staat.

Artikel 30 sexies

Melding van inbreuken

  1. De lidstaten zorgen ervoor dat doeltreffende mechanismen worden opgezet om de melding van inbreuken van de bepalingen van deze richtlijn en van Verordening (EU) nr. 537/2014 aan de bevoegde autoriteiten aan te moedigen.

  2. De in lid 1 bedoelde mechanismen omvatten ten minste:

    1. specifieke procedures voor de ontvangst van meldingen van inbreuken en de follow-up daarvan;

    2. bescherming van persoonsgegevens, zowel van de persoon die de vermoedelijke of feitelijke inbreuken meldt, als van de persoon die van een inbreuk wordt verdacht of die geacht wordt een inbreuk te hebben gepleegd, in overeenstemming met de beginselen van Richtlijn 95/46/EG;

    3. passende procedures om het recht van de voor een inbreuk verantwoordelijk geachte persoon op verdediging, om te worden gehoord vóór de vaststelling van een hem aangaand besluit, alsmede op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een gerecht tegen een op hem betrekking hebbend(e) besluit of maatregel te waarborgen.

  3. De lidstaten zorgen ervoor dat auditkantoren voor hun werknemers passende procedures vaststellen om potentiële of feitelijke inbreuken op deze richtlijn of van Verordening (EU) nr. 537/2014 intern via een speciaal kanaal te melden.

Artikel 30 septies

Uitwisseling van informatie

  1. De bevoegde autoriteiten verstrekken het Ceaob jaarlijks geaggregeerde informatie over alle administratieve maatregelen en alle sancties die overeenkomstig dit hoofdstuk zijn opgelegd. Het Ceaob publiceert deze informatie in een jaarverslag.

  2. De bevoegde autoriteiten delen alle tijdelijke verboden als bedoeld in artikel 30 bis, onder c) en e), onverwijld mee aan het Ceaob.

Hoofdstuk VIII Publiek toezicht en regelingen tussen de lidstaten op toezicht- en regelgevingsgebied

Artikel 32

Beginselen van het publiek toezicht

  1. De lidstaten zetten een doeltreffend stelsel van publieke toezicht op voor wettelijke auditors en auditkantoren op basis van de in de leden 2 tot en met 7 vastgelegde beginselen, en zij wijzen een bevoegde autoriteit aan die verantwoordelijk is voor dat toezicht.

  2. Alle wettelijke auditors en auditkantoren zijn aan publiek toezicht onderworpen.

  3. De bevoegde autoriteit wordt bestuurd door personen die zelf geen beroepsbeoefenaars zijn, maar voldoende bekend zijn met de vakgebieden die van belang zijn voor de wettelijke controle van financiële overzichten. Zij worden geselecteerd volgens een onafhankelijke en transparante benoemingsprocedure.

    De bevoegde autoriteit mag beroepsbeoefenaars aantrekken voor het verrichten van specifieke taken, en zij mag zich ook laten bijstaan door deskundigen wanneer dit essentieel is om haar taken naar behoren uit te voeren. In dergelijke gevallen worden de beroepsbeoefenaars noch de deskundigen betrokken bij de besluitvorming van de bevoegde autoriteit.

  4. Op de bevoegde autoriteit rust de eindverantwoordelijkheid voor het toezicht op:

    1. de toelating en registerinschrijving van wettelijke auditors en auditkantoren;

    2. de aanneming van standaarden op het gebied van beroepsethiek en interne kwaliteitsbewaking van auditkantoren, alsook van controlestandaarden, behalve wanneer deze standaarden worden vastgesteld of goedgekeurd door andere autoriteiten van de lidstaat;

    3. permanente scholing;

    4. kwaliteitsborgingsstelsels;

    5. onderzoeks- en sanctiestelsels.

  5. bis. De lidstaten wijzen één of meerdere bevoegde autoriteiten aan voor de in deze richtlijn bedoelde taken. De lidstaten wijzen slechts één bevoegde autoriteit aan waarop de eindverantwoordelijkheid voor de in dit artikel bedoelde taken rust, behalve voor de wettelijke controle van de financiële overzichten van coöperaties, spaarbanken en soortgelijke instellingen als bedoeld in artikel 45 van Richtlijn 86/635/EEG, of een dochteronderneming of wettelijke opvolger van een coöperatie, een spaarbank of een soortgelijke instelling als bedoeld in artikel 45 van Richtlijn 86/635/EEG.

    De lidstaten stellen de Commissie op de hoogte van de aangewezen autoriteiten.

    De bevoegde autoriteiten zijn zodanig georganiseerd dat belangenconflicten worden vermeden.

  6. ter. De lidstaten kunnen één of meerdere taken van hun bevoegde autoriteiten delegeren aan andere autoriteiten of organisaties die bij wet zijn aangewezen of anderszins bij wet zijn gemachtigd om deze taken te verrichten, of zij kunnen de bevoegde autoriteiten toestaan dit te doen.

    In de delegatie wordt vermeld welke taken worden gedelegeerd en onder welke voorwaarden deze moeten worden uitgevoerd. De autoriteiten of organisaties zijn zodanig georganiseerd dat er geen sprake is van belangenconflicten.

    Indien de bevoegde autoriteit taken delegeert aan andere autoriteiten of organisaties, kan zij deze bevoegdheden per geval terugvorderen.

  7. De bevoegde autoriteit heeft het recht, waar nodig, om onderzoeken met betrekking tot wettelijke auditors en auditkantoren te starten en te verrichten en passende maatregelen te nemen.

    Wanneer een bevoegde autoriteit voor het uitvoeren van bepaalde taken deskundigen contracteert, ziet de autoriteit erop toe dat er geen belangenconflicten bestaan tussen deze deskundigen en de wettelijke auditor of het auditkantoor in kwestie. Dergelijke deskundigen voldoen aan dezelfde vereisten als die waarin punt a) van artikel 29, lid 2, voorziet.

    De bevoegde autoriteiten krijgen de nodige bevoegdheden om hun taken en verantwoordelijkheden uit hoofde van deze richtlijn uit te oefenen.

  8. De bevoegde autoriteit is transparant. Dat houdt onder meer in dat jaarlijks werkprogramma's en activiteitenverslagen worden gepubliceerd.

  9. Het stelsel van publiek toezicht wordt naar behoren gefinancierd en beschikt over passende middelen om de in lid 5 bedoelde onderzoeken in te leiden en uit te voeren. De financiering van het stelsel van publiek toezicht is afdoende verzekerd en gevrijwaard tegen ongewenste beïnvloeding door wettelijke auditors en auditkantoren.

Artikel 33

Samenwerking tussen stelsels van publiek toezicht op Gemeenschapsniveau

De lidstaten zien erop toe dat de op stelsels van publiek toezicht toepasselijke wettelijke regelingen een effectieve samenwerking op Gemeenschapsniveau met betrekking tot de toezichtactiviteiten van de lidstaten mogelijk maken. Te dien einde wijst elke lidstaat één entiteit aan die specifiek verantwoordelijk is voor de samenwerking.

Artikel 34

Wederzijdse erkenning van wettelijke regelingen tussen lidstaten

  1. De wettelijke regelingen van de lidstaten respecteren het beginsel dat de regelgeving en het stelsel van publiek toezicht van de lidstaat van herkomst van toepassing zijn, dat wil zeggen de lidstaat waar de wettelijke auditor of het auditkantoor is toegelaten en waar de statutaire zetel van de gecontroleerde entiteit is gevestigd.

    Onverminderd de eerste alinea zijn in een lidstaat toegelaten auditkantoren die controlediensten in een andere lidstaat verrichten overeenkomstig artikel 3 bis van deze richtlijn, onderworpen aan een kwaliteitsbeoordeling in de lidstaat van herkomst en aan toezicht in de lidstaat van ontvangst op verrichte controles.

  2. Bij een wettelijke controle van geconsolideerde financiële overzichten mag de lidstaat die die wettelijke controle voorschrijft, met betrekking tot deze controle geen aanvullende verplichtingen op het gebied van registerinschrijving, kwaliteitsbeoordeling, controlestandaarden, beroepsethiek en onafhankelijkheid opleggen aan een wettelijke auditor die, dan wel een auditkantoor dat een wettelijke controle van het financieel overzicht van een in een andere lidstaat gevestigde dochteronderneming uitvoert.

  3. Wanneer het een vennootschap betreft waarvan de effecten worden verhandeld op een gereglementeerde markt die zich in een andere lidstaat bevindt dan de lidstaat waar de statutaire zetel van die vennootschap gevestigd is, dan mag de lidstaat waar de effecten worden verhandeld geen aanvullende verplichtingen op het gebied van registerinschrijving, kwaliteitsbeoordeling, controlestandaarden, beroepsethiek en onafhankelijkheid opleggen aan de wettelijke auditor die of het auditkantoor dat een wettelijke controle van de jaarlijkse of de geconsolideerde financiële overzichten van die vennootschap uitvoert.

  4. Wanneer een wettelijke auditor of een auditkantoor is geregistreerd in een lidstaat als gevolg van een toelating overeenkomstig artikel 3 of artikel 44 en die wettelijke auditor of dat auditkantoor controleverklaringen aflevert betreffende jaarlijkse financiële overzichten of geconsolideerde financiële overzichten als bedoeld in artikel 45, lid 1, onderwerpt de lidstaat waarin de wettelijke auditor of het auditkantoor is geregistreerd die wettelijke auditor of dat auditkantoor aan zijn stelsel van toezicht, zijn kwaliteitsborgingsstelsel en zijn stelsels voor onderzoek en sancties.

Artikel 36

Beroepsgeheim en regelgevende samenwerking tussen lidstaten

  1. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten die belast zijn met toelating, registerinschrijving, kwaliteitsborging, toezicht en sancties, de bevoegde autoriteiten die zijn aangewezen overeenkomstig artikel 20 van Verordening (EU) nr. 537/2014 en de relevante Europese toezichthoudende autoriteiten werken samen wanneer dat nodig is om hun respectieve verantwoordelijkheden en taken uit hoofde van deze richtlijn en Verordening (EU) nr. 537/2014 uit te oefenen. De bevoegde autoriteiten in een lidstaat verlenen assistentie aan de bevoegde autoriteiten in andere lidstaten en de relevante Europese toezichthoudende autoriteiten. De bevoegde autoriteiten wisselen met name informatie uit en werken samen bij onderzoeken in verband met de uitvoering van wettelijke controles.

  2. Het beroepsgeheim geldt voor eenieder die bij de bevoegde autoriteiten werkzaam is of is geweest. Informatie die onder het beroepsgeheim valt, mag aan geen enkele persoon of autoriteit openbaar worden gemaakt, behalve wanneer dit wordt vereist door de wetgeving, regelgeving of administratieve procedures van een lidstaat.

  3. Lid 2 weerhoudt bevoegde autoriteiten niet van het uitwisselen van vertrouwelijke informatie. De aldus uitgewisselde informatie valt onder het beroepsgeheim waartoe eenieder gehouden is die bij de bevoegde autoriteiten werkzaam is of is geweest. Het beroepsgeheim geldt ook voor alle andere personen aan wie de bevoegde autoriteit taken heeft gedelegeerd die verband houden met de in deze richtlijn vermelde doelstellingen.

  4. De bevoegde autoriteiten verstrekken op verzoek en zonder onnodige vertraging alle informatie die voor het in lid 1 genoemde doel noodzakelijk zijn. Indien nodig, stelt de aangezochte bevoegde autoriteit zonder onnodige vertraging de maatregelen vast die vereist zijn om de gevraagde informatie te verzamelen. De aldus verstrekte informatie valt onder het beroepsgeheim waartoe eenieder gehouden is die bij de bevoegde autoriteiten die de informatie ontvangen, werkzaam is of is geweest.Indien de aangezochte bevoegde autoriteit niet bij machte is de gevraagde informatie zonder onnodige vertraging te verstrekken, stelt zij de verzoekende bevoegde autoriteit van de redenen hiervan in kennis.De bevoegde autoriteiten kunnen weigeren om aan een verzoek om informatie gevolg te geven indien:

    1. het verstrekken van de inlichtingen gevaar zou kunnen opleveren voor de soevereiniteit, de veiligheid of de openbare orde van de aangezochte lidstaat of in strijd zou zijn met de nationale veiligheidsvoorschriften; of

    2. met betrekking tot dezelfde handelingen en tegen dezelfde personen reeds een gerechtelijke procedure is ingeleid bij de autoriteiten van de aangezochte lidstaat, of

    3. voor dezelfde handelingen en tegen dezelfde personen reeds een onherroepelijke uitspraak is gedaan door de bevoegde autoriteiten van de aangezochte lidstaat.Onverminderd hun verplichtingen in het kader van gerechtelijke procedures mogen de bevoegde autoriteiten of de Europese toezichthoudende autoriteiten die op grond van lid 1 informatie ontvangen, deze uitsluitend gebruiken voor de uitoefening van hun functies in de zin van deze richtlijn of Verordening (EU) nr. 537/2014, alsmede in het kader van bestuursrechtelijke of gerechtelijke procedures die specifiek met de uitoefening van deze functies verband houden.

  5. bis.  De lidstaten kunnen de bevoegde autoriteiten toestaan om voor de uitoefening van hun taak dienstige vertrouwelijke gegevens mee te delen aan de bevoegde autoriteiten die belast zijn met het toezicht op organisaties van openbaar belang, aan de centrale banken, aan het Europees Stelsel van centrale banken en aan de Europese Centrale Bank in hun hoedanigheid van monetaire autoriteit, en het Europees Comité voor systeemrisico's. Het wordt deze autoriteiten of organen niet belet om aan de bevoegde autoriteiten informatie te doen toekomen die de bevoegde autoriteiten voor het vervullen van hun bij Verordening (EU) nr. 537/2014 opgelegde taken nodig kunnen hebben.

  6. Wanneer een bevoegde autoriteit vaststelt dat er op het grondgebied van een andere lidstaat handelingen worden of zijn uitgevoerd die strijdig zijn met de bepalingen van deze richtlijn, geeft zij hiervan op zo specifiek mogelijke wijze kennis aan de bevoegde autoriteit van de andere lidstaat. De bevoegde autoriteit van de andere lidstaat neemt de nodige maatregelen en stelt de kennisgevende bevoegde autoriteit van het resultaat in kennis, alsmede, voor zover mogelijk, van belangrijke tussentijdse ontwikkelingen.Een bevoegde autoriteit van een lidstaat kan verzoeken dat een onderzoek wordt verricht door de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat op het grondgebied van die lidstaat.Verder kan zij verzoeken dat aan een aantal leden van haar personeel toestemming wordt verleend om de leden van het personeel van de bevoegde autoriteit van de andere lidstaat gedurende het onderzoek te vergezellen.Het onderzoek wordt evenwel verricht onder de eindverantwoordelijkheid van de lidstaat op het grondgebied waarvan het onderzoek plaatsvindt.De bevoegde autoriteiten kunnen een verzoek om een onderzoek zoals bedoeld in de eerste alinea, of een verzoek dat leden van hun personeel worden vergezeld door leden van het personeel van de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat zoals bedoeld in de tweede alinea, van de hand wijzen indien:

    1. een dergelijk onderzoek gevaar zou kunnen opleveren voor de soevereiniteit, de veiligheid of de openbare orde van de aangezochte staat, of in strijd zou zijn met de nationale veiligheidsvoorschriften; of

    2. met betrekking tot dezelfde handelingen en tegen dezelfde personen reeds een gerechtelijke procedure is ingeleid bij de autoriteiten van de aangezochte staat, of

    3. voor dezelfde handelingen en tegen dezelfde personen in de aangezochte lidstaat reeds een onherroepelijke uitspraak is gedaan.

Hoofdstuk IX Benoeming en ontslag

Artikel 37

Benoeming van wettelijke auditors of auditkantoren

  1. De wettelijke auditor of het auditkantoor wordt benoemd door de algemene aandeelhouders- of ledenvergadering van de gecontroleerde entiteit.

  2. De lidstaten mogen alternatieve regelingen of modaliteiten toestaan voor de benoeming van de wettelijke auditor of het auditkantoor, mits deze regelingen of modaliteiten bedoeld zijn om te waarborgen dat de wettelijke auditor of het auditkantoor onafhankelijk is van de bij het dagelijks bestuur betrokken leden van het leidinggevend orgaan of bestuursorgaan van de gecontroleerde entiteit.

  3. Contractuele bepalingen die de keuze van de algemene aandeelhouders- of ledenvergadering van de gecontroleerde entiteit overeenkomstig lid 1 beperken tot bepaalde categorieën of lijsten van wettelijke auditors of auditkantoren met betrekking tot de benoeming van een bepaalde wettelijke auditor of een bepaald auditkantoor voor het uitvoeren van de wettelijke controle van die entiteit, zijn verboden. Ingeval zulke bepalingen bestaan, zijn zij nietig.

Artikel 38

Ontslagneming en opzegging van wettelijke auditors of auditkantoren

  1. De lidstaten zien erop toe dat wettelijke auditors of auditkantoren alleen om gegronde redenen kunnen worden ontslagen; verschil van mening over methoden van boekhoudkundige verwerking of controlewerkzaamheden zijn geen gegronde redenen voor ontslag.

  2. De lidstaten zien erop toe dat de gecontroleerde entiteit en de wettelijke auditor of het auditkantoor de voor het stelsel van publiek toezicht bevoegde autoriteit of autoriteiten in kennis stellen van het ontslag of opzegging van de wettelijke auditor(s) of (het) auditkanto(o)r(en) tijdens de duur van de benoeming en hiervoor een afdoende motivering geven.

  3. In geval van een wettelijke controle van een organisatie van openbaar belang, zorgen de lidstaten ervoor dat

    1. aandeelhouders die 5 % of meer van de stemrechten of het aandelenkapitaal vertegenwoordigen;

    2. de andere organen van de gecontroleerde entiteiten wanneer deze in de nationale wetgeving zijn omschreven; of

    3. de bevoegde autoriteiten bedoeld in artikel 32 van deze richtlijn of aangewezen overeenkomstig artikel 20, lid 1, van Verordening (EU) nr. 537/2014 of, indien het nationale recht hierin voorziet, artikel 20, lid 2, van die verordening,bij een nationale rechtbank een procedure kunnen inleiden voor ontslag van de wettelijke auditor(s) of het (de) auditkanto(o)r(en), indien daartoe goede gronden bestaan.

Hoofdstuk X Auditcomité

Artikel 39

Auditcomité

  1. De lidstaten zorgen ervoor dat elke organisatie van openbaar belang een auditcomité heeft. Het auditcomité is een autonoom comité of een comité van het leidinggevend of toezichthoudend orgaan van de gecontroleerde entiteit. Het auditcomité is samengesteld uit niet bij het dagelijks bestuur betrokken leden van het leidinggevende en/of leden van het toezichthoudende orgaan van de gecontroleerde entiteit en/of leden die worden benoemd door de algemene aandeelhoudersvergadering van de gecontroleerde entiteit of, voor entiteiten zonder aandeelhouders, door een soortgelijk orgaan.

    Ten minste één lid van het auditcomité beschikt over de nodige deskundigheid op het gebied van financiële verslaglegging en/of controle van financiële overzichten.

    De leden van het comité als geheel beschikken over deskundigheid die relevant is voor de sector waarin de gecontroleerde entiteit actief is.

    De meerderheid van de leden van het auditcomité is onafhankelijk van de gecontroleerde entiteit. De voorzitter van het auditcomité wordt benoemd door de leden van het comité of door het toezichthoudende orgaan van de gecontroleerde entiteit, en is onafhankelijk van de gecontroleerde entiteit. De lidstaten kunnen eisen dat de voorzitter van het auditcomité jaarlijks wordt gekozen door de algemene aandeelhoudersvergadering van de gecontroleerde entiteit.

  2. In afwijking van lid 1 kunnen de lidstaten besluiten dat in geval van organisaties van openbaar belang die voldoen aan de criteria van artikel 2, lid 1, onder f) en t), van Richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad Richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/34/EG (PB L 345 van 31.12.2003, blz. 64)., de aan het auditcomité toegewezen taken kunnen worden uitgevoerd door het leidinggevende of het toezichthoudende orgaan als geheel, mits de voorzitter van een dergelijk orgaan, indien hij of zij bij het dagelijks bestuur betrokken is, niet optreedt als voorzitter wanneer dit orgaan de functies van auditcomité uitoefent.

    Wanneer een auditcomité deel uitmaakt van het leidinggevende of het toezichthoudende orgaan van de gecontroleerde entiteit overeenkomstig lid 1, kunnen de lidstaten toestaan of eisen dat het leidinggevende of het toezichthoudende orgaan, naargelang het geval, de functies van het auditcomité vervult voor de toepassing van de in deze richtlijn en in Verordening (EU) nr. 537/2014 vervatte verplichtingen.

  3. In afwijking van lid 1 kunnen de lidstaten besluiten dat de volgende organisaties van openbaar belang geen auditcomité hoeven te hebben:

    1. een organisatie van openbaar belang die een dochteronderneming is in de zin van punt 10 van artikel 2 van Richtlijn 2013/34/EU, indien de entiteit op groepsniveau voldoet aan de eisen van leden 1, 2 en 5 van dit artikel, artikel 11, lid 1, artikel 11, lid 2, en artikel 16, lid 5, van Verordening (EU) nr. 537/2014;

    2. een organisatie van openbaar belang die een icbe is als gedefinieerd in artikel 1, lid 2, van Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's) (PB L 302 van 17.11.2009, blz. 32). of een alternatieve beleggingsinstelling (abi) als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, onder a), van Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010 (PB L 174 van 1.7.2011, blz. 1).;

    3. een organisatie van openbaar belang die als enige taak heeft op te treden als emittent van door activa gedekte waardepapieren als gedefinieerd in artikel 2, lid 5, van Verordening (EG) nr. 809/2004 van de Commissie Verordening (EG) nr. 809/2004 van de Commissie van 29 april 2004 tot uitvoering van Richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de in het prospectus te verstrekken informatie, de vormgeving van het prospectus, de opneming van informatie door middel van verwijzing, de publicatie van het prospectus en de verspreiding van advertenties betreft (PB L 149 van 30.4.2004, blz. 1).;

    4. een kredietinstelling in de zin van punt 1 van artikel 3, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU, waarvan de aandelen niet zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt van een lidstaat in de zin van punt 14 van artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2004/39/EG en die, doorlopend of periodiek, uitsluitend schuldbewijzen heeft uitgegeven die zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt, mits het totale nominale bedrag van al deze schuldbewijzen de 100 000 000 EUR niet overschrijdt en de instelling geen prospectus uit hoofde van Richtlijn 2003/71/EG heeft gepubliceerd.

    De organisaties van openbaar belang als bedoeld onder c) geven het publiek een toelichting op de redenen waarom zij van mening zijn dat het niet passend is om een auditcomité te hebben of om een leidinggevend of toezichthoudend orgaan te hebben dat soortgelijke bevoegdheden heeft als een auditcomité.

  4. In afwijking van lid 1 kunnen de lidstaten besluiten dat een organisatie van openbaar belang geen auditcomité heeft of hoeft te hebben, mits de organisatie beschikt over (een) orga(a)n(en) dat/die soortgelijke bevoegdheden heeft/hebben als een auditcomité, en dat/die is/zijn opgericht en werkt/werken overeenkomstig de geldende bepalingen in de lidstaat waarin de te controleren entiteit is geregistreerd. In dit geval maakt de entiteit openbaar welk orgaan deze bevoegdheden heeft en hoe het orgaan is samengesteld.

  5. Wanneer alle leden van het auditcomité leden zijn van het leidinggevende of toezichthoudende orgaan van de gecontroleerde entiteit, kan de lidstaat bepalen dat het auditcomité is vrijgesteld van de onafhankelijkheidsvereisten van lid 1, vierde alinea.

  6. Onverminderd de verantwoordelijkheid van de leden van het leidinggevende, bestuurs- of toezichthoudende orgaan of van andere leden die worden benoemd door de algemene aandeelhoudersvergadering van de gecontroleerde entiteit, heeft het auditcomité onder meer tot taak:

    1. het leidinggevende of het toezichthoudende orgaan van de gecontroleerde entiteit in kennis te stellen van het resultaat van de wettelijke controle, en toe te lichten op welke wijze de wettelijke controle heeft bijgedragen tot de integriteit van de financiële verslaglegging en welke rol het auditcomité in dat proces heeft gespeeld;

    2. het financiële verslagleggingsproces te monitoren en aanbevelingen of voorstellen te doen om de integriteit van het proces te waarborgen;

    3. de doeltreffendheid van de systemen inzake interne kwaliteitscontrole en risicomanagement en, in voorkomend geval, de interne audit van de onderneming met gevolgen voor de financiële verslaglegging van de gecontroleerde entiteit te monitoren, zonder zijn onafhankelijkheid te verliezen;

    4. de wettelijke controle van de jaarlijkse en de geconsolideerde financiële overzichten te monitoren, in het bijzonder de uitvoering ervan, met inachtneming van de bevindingen en conclusies van de bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 26, lid 6, van Verordening (EU) nr. 537/2014;

    5. de onafhankelijkheid van de wettelijke auditors of auditkantoren te beoordelen en te monitoren overeenkomstig de artikelen 22, 22 bis, 22 ter, 24 bis en 24 ter van deze richtlijn, en artikel 6 van Verordening (EU) nr. 537/2014, waarbij met name wordt nagegaan of de verstrekking van niet-controlediensten aan de gecontroleerde entiteit overeenkomstig artikel 5 van die verordening passend is;

    6. verantwoordelijkheid te dragen voor de procedure voor de selectie van wettelijke auditor(s) of auditkanto(o)r(en) en het voordragen van de te benoemen wettelijke auditor(s) of auditkanto(o)r(en) overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 537/2014, behalve wanneer het bepaalde in artikel 16, lid 8, van Verordening (EU) nr. 537/2014 wordt toegepast.

Hoofdstuk XI Internationale aspecten

Artikel 44

Toelating van accountants van derde landen

  1. Op voorwaarde van wederkerigheid mogen de bevoegde autoriteiten van een lidstaat een auditor van een derde land als wettelijke auditor toelaten, mits deze persoon het bewijs heeft geleverd dat hij of zij voldoet aan eisen gelijkwaardig aan die in de artikelen 4 en 6 tot en met 13.

  2. Vooraleer een auditor van een derde land toe te laten die voldoet aan het bepaalde in lid 1, zien de bevoegde autoriteiten van een lidstaat toe op de naleving van de eisen van artikel 14.

Artikel 45

Registerinschrijving van en toezicht op auditors en auditorganisaties van derde landen

  1. De bevoegde autoriteiten van een lidstaat gaan over tot registerinschrijving overeenkomstig de artikelen 15 tot en met 17 van elke auditor en auditorganisatie van een derde land die een controleverklaring aflevert betreffende de jaarlijkse of geconsolideerde financiële overzichten van een vennootschap die haar statutaire zetel heeft buiten de Unie en waarvan de verhandelbare effecten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt in die lidstaat in de zin van artikel 4, lid 1, punt 14, van Richtlijn 2004/39/EG, behalve indien de onderneming alleen een emittent is van uitstaande schuldbewijzen waarvoor het volgende geldt:

    1. zij zijn vóór 31 december 2010 toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt in een lidstaat in de zin van artikel 2, lid 1, onder c), van Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/34/EG (PB L 390 van 31.12.2004, blz. 38). en hun nominale waarde per eenheid op de datum van uitgifte bedraagt ten minste 50 000 EUR of, in het geval van schuldbewijzen in een andere valuta, hun nominale waarde per eenheid op de datum van uitgifte is ten minste gelijkwaardig aan 50 000 EUR;

    2. zij zijn sinds 31 december 2010 toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt in een lidstaat in de zin van artikel 2, lid 1, onder c), van Richtlijn 2004/109/EG en hun nominale waarde per eenheid op de datum van uitgifte bedraagt ten minste 100 000 EUR of, in het geval van schuldbewijzen in een andere valuta, hun nominale waarde per eenheid op de datum van uitgifte is ten minste gelijkwaardig aan 100 000 EUR.

  2. De artikelen 18 en 19 zijn van toepassing.

  3. De lidstaten onderwerpen de in het register ingeschreven auditors en auditorganisaties van een derde land aan hun stelsels van publiek toezicht, hun kwaliteitsborgingsstelsels en hun onderzoeks- en sanctieregelingen. Een lidstaat mag er vanaf zien een in het register ingeschreven auditor en auditorganisatie van een derde land aan zijn kwaliteitsborgingsstelsel te onderwerpen indien een andere lidstaat, of een kwaliteitsborgingsstelsel uit een derde land dat als gelijkwaardig is beoordeeld in de zin van artikel 46, de betrokken auditor of de auditorganisatie van een derde land in de voorgaande drie jaar aan een kwaliteitsbeoordeling heeft onderworpen.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 46 hebben controleverklaringen betreffende de in lid 1 van dit artikel bedoelde jaarrekeningen of geconsolideerde jaarrekeningen welke zijn afgeleverd door auditors of auditorganisaties van een derde land die in de betrokken lidstaat niet in het register zijn ingeschreven, in deze lidstaat geen rechtsgevolg.

  5. Een lidstaat mag alleen een auditorganisatie van een derde land in het register inschrijven wanneer:

    1. de meerderheid van de leden van het leidinggevende of bestuursorgaan van de auditorganisaties van een derde land voldoet aan eisen die gelijkwaardig zijn aan die welke in de artikelen 4 tot en met 10 worden gesteld;

    2. de auditor van een derde land die namens de auditorganisatie van een derde land de controle uitvoert, voldoet aan eisen die gelijkwaardig zijn aan die welke in de artikelen 4 tot en met 10 worden gesteld;

    3. de controles van de in lid 1 bedoelde jaarlijkse of geconsolideerde financiële overzichten worden uitgevoerd in overeenstemming met internationale controlestandaarden als bedoeld in artikel 26 en conform de voorschriften van de artikelen 22, 22 ter en 25, of gelijkwaardige standaarden en voorschriften;

    4. deze op haar website een jaarlijks transparantieverslag publiceert dat de in artikel 13 van Verordening (EU) nr. 537/2014 bedoelde informatie bevat, of zij aan gelijkwaardige openbaarmakingseisen voldoet.

  6. bis.  Een lidstaat mag een auditor van een derde land uitsluitend in het register inschrijven wanneer hij of zij aan de in lid 5, onder c), d) en e), van dit artikel gestelde eisen voldoet.

  7. Om de eenvormige voorwaarden voor de toepassing van lid 5, onder d), van dit artikel te garanderen, wordt aan de Commissie de bevoegdheid verleend door middel van uitvoeringshandelingen te oordelen over de daarin vermelde gelijkwaardigheid. Deze uitvoeringshandelingen worden overeenkomstig de in artikel 48, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. De lidstaten kunnen de in lid 5, onder d), van dit artikel bedoelde gelijkwaardigheid beoordelen, zolang de Commissie een dergelijk besluit niet heeft genomen.

    Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend gedelegeerde handelingen op basis van artikel 48 bis vast te stellen met het oog op het bepalen van de algemene gelijkwaardigheidscriteria die moeten worden gehanteerd bij het beoordelen of de in lid 1 van dit artikel bedoelde controles van de financiële overzichten worden uitgevoerd overeenkomstig de in artikel 26 bedoelde internationale controlestandaarden en de in de artikelen 22, 24 en 25 vastgestelde vereisten. Deze criteria, die toepasselijk zijn op alle derde landen, worden door lidstaten gehanteerd wanneer zij de gelijkwaardigheid op nationaal niveau beoordelen.

Artikel 46

Afwijking in geval van gelijkwaardigheid

  1. Op voorwaarde van wederkerigheid kunnen de lidstaten afzien van de toepassing van de in artikel 45, leden 1 en 3, gestelde eisen of deze wijzigen, mits de betrokken auditorganisatie of de betrokken auditor van een derde land in het derde land onderworpen is aan stelsels van publiek toezicht, kwaliteitsborgingsstelsels en onderzoeks- en sanctieregelingen die voldoen aan eisen die gelijkwaardig zijn aan die welke in de artikelen 29, 30 en 32 worden gesteld.

  2. Om de eenvormige voorwaarden voor de toepassing van lid 1 van dit artikel te garanderen, wordt aan de Commissie de bevoegdheid verleend bij uitvoeringshandeling te oordelen over de daarin vermelde gelijkwaardigheid. Dergelijke uitvoeringshandelingen worden overeenkomstig de in artikel 48, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. Zodra de Commissie de in lid 1 van dit artikel bedoelde gelijkwaardigheid heeft erkend, mogen de lidstaten besluiten zich gedeeltelijk of geheel op deze gelijkwaardigheid te baseren en bijgevolg de vereisten van artikel 45, de leden 1 en 3, gedeeltelijk of geheel niet toe te passen of te wijzigen. De lidstaten kunnen de in lid 1 van dit artikel bedoelde gelijkwaardigheid beoordelen of zich baseren op de beoordelingen van andere lidstaten, zolang de Commissie een dergelijk besluit niet heeft genomen. Indien de Commissie besluit dat niet aan het gelijkwaardigheidsvereiste van lid 1 van dit artikel wordt voldaan, kan zij de betrokken auditors van derde landen en auditorganisaties van derde landen toestaan hun controleactiviteiten gedurende een passende overgangsperiode voort te zetten overeenkomstig de voorschriften van de relevante lidstaat.

    Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend overeenkomstig artikel 48 bis bij gedelegeerde handeling op basis van de in de artikelen 29, 30 en 32 vastgestelde vereisten de algemene gelijkwaardigheidscriteria te bepalen die moeten worden gehanteerd bij het beoordelen of het publieke toezicht, de kwaliteitsborging, het onderzoek en de sanctiestelsels van een derde land gelijkwaardig zijn aan die van de Unie. Deze algemene criteria worden door de lidstaten gebruikt wanneer zij de gelijkwaardigheid op nationaal niveau beoordelen bij gebreke van een besluit van de Commissie met betrekking tot het betrokken derde land.

  3. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van:

    1. hun beoordelingen van de gelijkwaardigheden, als bedoeld in lid 2; en

    2. de belangrijkste onderdelen van hun samenwerkingsovereenkomsten met derde landen met betrekking tot stelsels van publiek toezicht, kwaliteitsborgingsstelsels en onderzoeks- en sanctieregelingen, op basis van lid 1.

Artikel 47

Samenwerking met bevoegde autoriteiten van derde landen

  1. De lidstaten mogen toestaan dat controle- of andere documenten die in het bezit zijn van wettelijke auditors of auditkantoren die door hen zijn toegelaten, alsmede inspectie- of onderzoeksverslagen in verband met de betrokken controles, aan de bevoegde autoriteiten van een derde land worden overgedragen, op voorwaarde dat:

    1. die controle- of andere documenten betrekking hebben op controles bij vennootschappen die in het betrokken derde land effecten hebben uitgegeven of die onderdeel uitmaken van een groep die in dat derde land verplichte geconsolideerde financiële overzichten bekendmaakt;

    2. deze controle- of andere documenten via de bevoegde autoriteiten van het land van herkomst aan de bevoegde autoriteiten van het betrokken derde land worden overgedragen nadat laatstgenoemde autoriteiten daarom hebben verzocht;

    3. de bevoegde autoriteiten van het betrokken derde land voldoen aan eisen die overeenkomstig lid 3 adequaat zijn verklaard;

    4. er tussen de betrokken bevoegde autoriteiten op wederkerigheid gebaseerde werkregelingen zijn overeengekomen;

    5. de overdracht van persoonsgegevens aan derde landen geschiedt overeenkomstig hoofdstuk IV van Richtlijn 95/46/EG.

  2. De in lid 1, onder d), bedoelde werkregelingen waarborgen dat:

    1. de bevoegde autoriteiten het verzoek om controle- en andere documenten motiveren;

    2. eenieder die werkzaam is of is geweest bij de bevoegde autoriteiten van het derde land die de informatie ontvangen, onderworpen is aan het beroepsgeheim;

      ba) de bescherming van de commerciële belangen van de gecontroleerde entiteit, met inbegrip van haar industriële en intellectuele eigendom, niet in het gedrang komt;

    3. de bevoegde autoriteiten van het derde land de controle- en andere documenten alleen mogen gebruiken voor de uitoefening van hun publiek toezicht-, kwaliteitsborgings- en onderzoeksfuncties die voldoen aan eisen die gelijkwaardig zijn aan die welke in de artikelen 29, 30 en 32 worden gesteld;

    4. het verzoek van een bevoegde autoriteit van een derde land om controle- of andere documenten die in het bezit zijn van een wettelijke auditor of een auditkantoor, van de hand kan worden gewezen wanneer:

      • de verstrekking van deze controle- of andere documenten gevaar zou kunnen opleveren voor de soevereiniteit, de veiligheid of de openbare orde van de Gemeenschap of de aangezochte lidstaat, of

      • indien met betrekking tot dezelfde handelingen en tegen dezelfde personen reeds een gerechtelijke procedure is ingeleid bij de autoriteiten van de aangezochte lidstaat, of

      • indien voor dezelfde handelingen en dezelfde wettelijke auditors en auditkantoren reeds een onherroepelijke uitspraak is gedaan door de bevoegde autoriteiten van de aangezochte lidstaat.

  3. Om de samenwerking te bevorderen, wordt aan de Commissie de bevoegdheid verleend bij uitvoeringshandeling te oordelen over de in lid 1, onder c), van dit artikel vermelde adequaatheid. Dergelijke uitvoeringshandelingen worden overeenkomstig de in artikel 48, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om zich naar het besluit van de Commissie te voegen.

    Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend overeenkomstig artikel 48 bis de algemene adequaatheidscriteria te bepalen aan de hand waarvan de Commissie beoordeelt of de bevoegde autoriteiten van derde landen als adequaat kunnen worden beschouwd voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten met betrekking tot de uitwisseling van controle- of andere documenten die in het bezit zijn van wettelijke auditors en auditkantoren. De algemene adequaatheidscriteria zijn gebaseerd op de vereisten van artikel 36 of grotendeels dezelfde functionele resultaten in verband met een directe uitwisseling van controle- of andere documenten die in het bezit zijn van wettelijke auditors en auditkantoren.

  4. In uitzonderingsgevallen en in afwijking van lid 1 kunnen de lidstaten wettelijke auditors en auditkantoren die door hen zijn toegelaten, toestaan controle- en andere documenten rechtstreeks aan de bevoegde autoriteiten van een derde land over te dragen, op voorwaarde dat:

    1. in het betrokken derde land onderzoeken zijn ingeleid door de bevoegde autoriteiten;

    2. de overdracht niet in strijd is met de verplichtingen waaraan wettelijke auditors en auditkantoren moeten voldoen met betrekking tot de overdracht van controle- en andere documenten aan de bevoegde autoriteit van hun lidstaat van herkomst;

    3. er werkregelingen met de bevoegde autoriteiten van het betrokken derde land bestaan uit hoofde waarvan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat wederkerige rechtstreekse toegang hebben tot controle- en andere documenten van auditorganisaties van dat derde land;

    4. de verzoekende bevoegde autoriteit van het betrokken derde land de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de wettelijke auditor of het auditkantoor in kennis stelt van elk rechtstreeks verzoek om inlichtingen, met opgave van de redenen voor dat verzoek;

    5. de in lid 2 gestelde voorwaarden in acht worden genomen.

  5. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de in de leden 1 en 4 bedoelde werkregelingen.

Hoofdstuk XII Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 48

Comité

  1. De Commissie wordt bijgestaan door een comité (hierna „het comité” genoemd). Dit comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13)..

  2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

  3. bis.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

  4. Uiterlijk op 31 december 2010, en vervolgens ten minste om de drie jaar, toetst de Commissie de bepalingen betreffende haar uitvoeringsbevoegdheden en dient zij bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de werking van deze bevoegdheden. In dit verslag wordt met name onderzocht of het noodzakelijk is dat de Commissie op deze richtlijn wijzigingen voorstelt, teneinde een passende reikwijdte van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden te waarborgen. De conclusie volgens welke een wijziging al dan niet noodzakelijk is, wordt nader gemotiveerd. Indien noodzakelijk gaat het verslag vergezeld van een wetgevingsvoorstel tot wijziging van de bepalingen die aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden verlenen.

Artikel 48 bis

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

  1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

  2. De in de artikelen 26, lid 3, 45, lid 6, 46, lid 2, en 47, lid 3, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van 16 juni 2014. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

  3. Het Europees Parlement of de Raad kan de in de artikelen 26, lid 3, 45, lid 6, 46, lid 2, en 47, lid 3, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

  4. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

  5. Een overeenkomstig de artikelen 26, lid 3, 45, lid 6, 46, lid 2, en 47, lid 3, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van vier maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie heeft medegedeeld daartegen geen bezwaar te zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 50

Intrekking van Richtlijn 84/253/EEG

Met ingang van 29 juni 2006 wordt Richtlijn 84/253/EEG ingetrokken. Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar deze richtlijn.

Artikel 51

Overgangsbepaling

Wettelijke auditors en auditkantoren die overeenkomstig Richtlijn 84/253/EEG door de bevoegde autoriteiten zijn toegelaten vóór de inwerkingtreding van de in artikel 53, lid 1, bedoelde bepalingen, worden beschouwd als zijnde toegelaten overeenkomstig deze richtlijn.

Artikel 52

Minimumharmonisatie

De lidstaten die de wettelijke controle van jaarrekeningen verplicht stellen, kunnen strengere voorschriften vaststellen, tenzij in de tekst van de richtlijn anders is vermeld.

Artikel 53

Omzetting

  1. De lidstaten dienen vóór 29 juni 2008 de bepalingen vast te stellen die nodig zijn om aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

  2. Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

  3. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 54

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 55

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Ter informatie

Bovenstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via onderstaande links.